Toen ik vijftien jaar geleden aan mijn promotieonderzoek begon, werd China nauwelijks serieus genomen. Net als Japan, waar de Erasmus School of Economics eind jaren tachtig een hele vakgroep voor had opgetuigd om die net zo snel weer op te doeken toen de Japanse economie begin jaren negentig in een diepe recessie belandde, zou de Chinese economie een klassiek voorbeeld zijn van een luchtbel die snel leeg zou lopen.
Over Chinese wetenschappers werd ronduit badinerend gedaan. Het aandeel van China in de wereldwijde citatenindex, die per land of regio meet hoe vaak wetenschappelijke artikelen worden geciteerd (wat een maatstaf voor impact is), verbleekte met 10 procent bij het aandeel van de Verenigde Staten (55 procent) en dat van de Europese Unie (bijna 35 procent).
Over de auteur
Heleen Mees is columnist van de Volkskrant. Eerder promoveerde ze op de Chinese economische groei. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Maar aan de Tsinghua-universiteit in Beijing zag ik met eigen ogen hoe Chinese wetenschappers methodisch te werk gingen om die achterstand weg te werken. Ze kozen hun onderzoeksonderwerpen niet omdat die hun persoonlijke belangstelling hadden, maar omdat die onderwerpen de belangstelling hadden van de redacteuren van de belangrijkste wetenschappelijke tijdschriften.
De wetenschappers woonden op de campus in een studio zo klein als een garagebox. Hun partner werkte dikwijls in de Verenigde Staten of Europa en zagen ze hooguit één keer per jaar. De persoonlijke offers die ze maakten – vergeleken met de meeste Chinezen waren wetenschappers nog steeds bevoorrecht – waren niet tevergeefs. Tsinghua is nu de nummer één-universiteit van de wereld op het gebied van natuurwetenschappen en technologie.
In de wereldwijde citatenindex is China de Verenigde Staten twee jaar geleden al voorbijgestreefd. Dat komt mede doordat Chinese wetenschappers relatief vaker het werk van hun landgenoten citeren dan westerlingen doen. Maar ook in de objectievere Nature-index, die per land of regio meet hoeveel papers zijn gepubliceerd in prestigieuze peer-reviewed tijdschriften, heeft China de VS ingehaald.
De Chinese overheid en universiteiten besteden jaarlijks meer aan onderzoek dan de Amerikaanse overheid en universiteiten doen gecorrigeerd voor lokale prijzen. Bovendien wordt het geld planmatiger besteed. Amerikaanse topuniversiteiten als Harvard zijn voor hun financiering mede afhankelijk van donaties van alumni, die doorgaans projecten financieren die hun eigen ego strelen in plaats van projecten waar de grootste behoefte aan bestaat.
Door planmatig te werk te gaan heeft China binnen één generatie universiteiten gecreëerd die in de absolute wereldtop meedoen. Chinese universiteiten loven hoge bonussen uit voor publicaties in de meest gerenommeerde internationale tijdschriften en Chinezen die aan westerse topuniversiteiten werken, worden met hoge salarissen verleid om naar China terug te keren. In de wereldwijde top-tien van universiteiten die de hoogste impact hebben komt het merendeel uit China, en is er geen enkele Europese universiteit.
Bovendien slaagt Europa er niet in om innovaties op de markt te brengen en op te schalen. De afgelopen vijftien jaar is het aandeel van Europa in de wereldeconomie gedaald van 33 naar 25 procent. Maar de marktwaarde van Europese bedrijven gemeten als percentage van de totale marktwaarde van bedrijven wereldwijd is veel harder gedaald, namelijk van 28 naar 15 procent. Dit wordt de eerste eeuw sinds vele die niet door Europa vorm wordt gegeven, zoals Janan Ganesh afgelopen weekend in de Financial Times schreef.
China blinkt dankzij zijn sterke industriële basis en lage energiekosten er juist in uit om fysieke innovaties op de markt te brengen. De afgelopen vijftien jaar voorzagen de Chinese vijfjarenplannen in strategische investeringen in onderzoek naar alle aspecten van duurzame technologie, van zonne- en windenergie, groene waterstof en geothermische projecten tot batterijopslag. Het verklaart waarom China nu de wereldwijde markt voor duurzame energie domineert.
In dat licht is het onbegrijpelijk dat het kabinet-Schoof de investeringen van het huidige demissionaire kabinet in wetenschappelijk onderzoek ongedaan wil maken. Hoewel in het hoofdlijnenakkoord zelf niet wordt gerept van bezuinigingen op het hoger onderwijs, staat in de budgettaire bijlage vanaf 2026 een opbrengst van 215 miljoen euro per jaar ingeboekt. Het voorbeeld van China laat juist zien dat met gerichte investeringen in onderzoek en ontwikkeling snelle vooruitgang kan worden geboekt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns