We hebben belletjelellers. Verder gaat het goed.
Op schooldagen, rond half 4, passeert er hier een groepje hoepelende en drijftollende ventjes dat aanbelt en er klompenkletterend vandoor gaat. Ook dat is Breda.
De eerste keren deed ik precies wat er van me verwacht werd, ik opende de voordeur, altijd verwacht ik de pakketbezorger met boeken of cd’s, keek naar links en naar rechts, niemand, liep een paar passen de straat op, riep ‘chef! we zijn thuis hoor!’, haalde ostentatief mijn schouders op en verdween teleurgesteld in de stee. Idem een tweede en derde keer.
Hierna brak een nieuwe fase aan, de bloeddorstige. Vanuit mijn gevoerde leeszetel zag ik het pijpenla-technisch gebeuren. Kruimeltje stelde zich in de verte op, zijn blonde janrap op luchtbukshoogte, knaldemper aandraaien, pats tussen de varkensoogjes waarmee hij toeloerde hoe zijn trawant Bell, roepnaam Pietje, met een kwaadaardige trek op zijn gedegenereerde muiltje onze meters te laag gemonteerde deurbel naderde. De panurg lelde aan en knalde er hondsdol vandoor, een damp van tandbederf achterlatend.
Ik maakte een stomme fout. Ik sommeerde mijn vriendin Jet plaats te nemen in mijn geoorsteunde leeszetel, vond ze leuk, mag normaal niet, zelf ging ik zacht hijgend achter de voordeur staan. In deze opstelling wachtten we drie etmalen. ‘Komt-ie aan’, zei ze. ‘De natte.’
Razendsnel kleedde ik me uit en steef mijn piemel op tot onvertoonde hardheid. Grapje. Wel stapte ik bij het geringste ‘dingdong’ voor het manshoge raam en staarde Pietje in zijn verwaarloosde kijkgaten, twee duistere smeerpoeltjes van toekomstig verderf, ik moest rapporteren aan Schoof, aan zijn nieuwe minister van Justitie, hopelijk een PVV’er weggetrokken bij een vechtsportbond. Ik wil heropvoedingskampen op Bonaire. Zo kan het niet langer.
Het gordeldiertje schrok, haha. Maar een tel later lachte het alweer gillend, sloeg zijn dikke, kale staart met een kleffe klap tegen de ruit, en weg was hij.
Hek van de dam, natuurlijk. Alarmfase, een spijbelend, hoogfrequent aanlellen zette in.
Hahaha, dacht ik, hahaha. Wat de straatbrakken niet konden weten was dat ik over een kluizenaarsmodus beschik. Een knopje op mijn rug. Ik open net zo makkelijk tien jaar lang niet één keer de voordeur. Tegen die tijd stonden poen en ploert bij Almelo in een loopgraaf, hahaha.
De harde negatiefase brak aan. Ik zat in mijn oorfauteuil wat korte verhalen van Sade te lezen, toen Bell, Pietje weer eens aanlelde. Dingdong.
Kalm las ik door, een scène over gebraden kleuters. Buiten hoorde ik hem diamantslijperig gieren.
Dingdongdingdondingdong. ‘Ga eens kijken’, piepte nu ook Kruimeltje, die kennelijk doodsbang naderbij was geslopen, ‘er wordt aangebeld.’
Onze tekst, snottebel. Durf iets, jongens, dacht ik. Vroeger was echt niet alles beter, maar wij legden voor het aanlellen nog wel eens een krant met hondenstront op een deurmat, die staken we dan in brand, ter paniekerige uitstamping op pantoffels. Het was creatiever, geiniger. De gunfactor lag hoger.
Jan Grijp plakte ondertussen zijn smeerkanis tegen het glas. ‘Hallo,’ riep hij, ‘meneer? Doet u alstublieft open. Wij hebben een schoolactie.’
Een schoolactie, jaja. Als een dove oblaat las ik door. In mijn boek scheten twee nonnen een scholier helemaal onder. Die Sade ook. Lazen wij als kleuters aan elkaar voor. Niet opkijken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns