Home

De mens is meer dan een willoos pakje boter dat onvermijdelijk bederft door invloeden van buitenaf

Mijn vorige bijdrage op deze plek leidde tot een veroordeling door zes criminologen. In een gloedvol opiniestuk vielen zij mijn stelling aan dat crimineel gedrag afhangt van iemands ethische geaardheid. Schuldig aan een deterministisch mensbeeld, zo luidde hun vonnis. Ik werd veroordeeld tot een cursus criminologie, bij wijze van aangepaste straf.

Desondanks ga ik recidiveren. Dat zit in de aard vrees ik, daar kan geen aangepaste straf tegen op. Eerst een nuancering. Criminaliteit is niet een kwestie van alleen aanleg of omgevingsfactoren, het is een combinatie van beide. Van nature en nurture. De aandacht voor omgevingsfactoren is echter wel erg gaan overheersen.

Illustratief daarvoor is de in rechtszalen regelmatig geciteerde frase ‘de gelegenheid maakt de dief’. De dief die dat als verdediging aanvoert, beschouwt zichzelf niet als dader, maar als slachtoffer van de omstandigheden. Die omstandigheden dwongen de diefstal af.

Over de auteur

Martin Lambregts is officier van justitie bij het Functioneel Parket, een landelijk onderdeel van het Openbaar Ministerie gespecialiseerd in fraudezaken. Deze week vervangt hij Mark van Ostaijen.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier meer over ons beleid.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

U herkent het vast. Op straat passeert u een onbewaakte geopende voordeur en wordt overvallen door de onbedwingbare opwelling binnen te sluipen en buit te maken. Dat overkomt ons toch allemaal? Fatalistische folklore wat mij betreft. Dat de gelegenheid de dief maakt, heet onterecht een volkswijsheid. Het is andersom. De dief benut de gelegenheid. De mens is meer dan een willoos pakje boter dat onvermijdelijk bederft door invloeden van buitenaf. Helaas is dat cynische mensbeeld, het slachtoffermodel, in zwang in het sociaalwetenschappelijke denken.

Delinquenten hebben het overgenomen. Ze praten hun hulpverleners na. Ter verklaring van hun criminele gedrag wijzen zij bijvoorbeeld op een moeilijke jeugd, verdovende middelen of foute vrienden. Hun eigen verantwoordelijkheid vlakken zij daarmee uit. Deze observatie ontleen ik aan Chris Rutenfrans, criminoloog en oud-redacteur van de Volkskrant.

Hij introduceerde twintig jaar geleden het werk van de Britse schrijver en gevangenispsychiater Theodore Dalrymple in Nederland. Dalrymples boeken bevatten veel socratische gesprekken met gedetineerde patiënten. Nooit ging hij mee in hun poging hun criminele activiteiten rechtstreeks toe te schrijven aan hun jeugd. Zo antwoordde Dalrymple een gevangene die dat wel deed en zich afvroeg waarom hij de behoefte had om almaar in te breken: ‘Omdat je lui en dom bent en dingen wilt zonder ervoor te hoeven werken.’

De gevangene schoot daarop in de lach, de slachtofferrol viel van hem af. Wie Dalrymple hierom meteen veroordeelt als meedogenloos, kent zijn werk niet. Harde waarheden paart hij altijd aan respect en vaak ook sympathie voor zijn patiënten, onder wie vele moordenaars.

Het deed mij terugdenken aan een zitting met een geroemde Haagse politierechter. Die ondervroeg de alcoholverslaafde verdachte die als oorzaak van zijn misdaad wees op de vele glazen bier die hij had gedronken. Hoeveel glazen precies, wilde de politierechter weten. Daarna vroeg de politierechter wie die glazen aan zijn lippen had gezet en naar binnen had gegoten. Na een kort moment van verwarring antwoordde de verdachte, besmuikt glimlachend, dat hij dat zelf was geweest. De roes van zijn smoes was op slag verdwenen. Het nuchtere besef van zijn eigen verantwoordelijkheid daalde in.

Dat is verheffend. De verdachte zonder aanzien des persoons omhoog trekken tot het niveau van een gelijkwaardige rechtsgenoot. En die aanspreken op de verantwoordelijkheidszin die ons als burgers verbindt. Binnen het recht geldt de normaal denkende mens daarbij als juridische maatstaf. Die maatstaf onthouden aan groepen verdachten door ze vooral als hulpbehoevende slachtoffers van hun omstandigheden te zien, is denigrerend.

Het verdiept het stigma en verhindert verantwoordelijkheidsbesef. Vanuit het oogpunt van preventie en resocialisatie geen aanbeveling. En oneerlijk tegenover degenen die ondanks verslaving, armoede of jeugdtrauma’s de wet níét overtreden. En oneerlijk tegenover slachtoffers van misdadigers, die met die misdadigers moeten wedijveren om het slachtofferschap.

Natuurlijk is bestrijding van verslaving, armoede of jeugdtrauma’s belangrijk. Gelukkig zijn er instanties zoals de reclassering. Maar hoofdzaak in het strafrecht is de bestrijding van normoverschrijding. Dat lijkt een minderheidsstandpunt tegenwoordig. Populairder zijn mededogen en maatwerk. Maar leidt dat, te ver doorgevoerd, niet van een humaan strafrecht naar een sentimenteel strafrecht? Bijt het vervolgens zichzelf niet als anti-emancipatoir in de staart? ‘Als je mensen slachtofferschap aanpraat, houd je hun problemen in stand’, aldus Dalrymple in een mooi interview uit 2020 met deze krant.

Wellicht staat mijn denken te veel onder zijn slechte invloed. Eigenlijk ben ik daarvan het slachtoffer, en verdien ik als recidivist extra aangepaste hulp.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next