‘Jij doet alsof je mij niet kent’, zegt mevrouw Boeijen (89). ‘Waarom is dat?’
‘Wat bedoelt u?’, vraag ik. Ik ben bij mevrouw Boeijen om haar op de wc te helpen. Ik hurk neer bij haar rolstoel, til haar voeten op en draai de beensteunen opzij om ruimte te maken voor het liftje waarmee ik haar op de wc ga takelen.
‘Nu doe je aardig, maar zonet, in de gezamenlijke huiskamer, groette je mij niet. Je zei niets.’
Ik weet zeker dat ik de bewoners heb begroet toen ik de huiskamer binnenkwam. Mevrouw Boeijen is nogal doof. ‘Ik denk dat u mij niet heeft gehoord.’
‘O’, zegt ze, en ze kijkt me minzaam aan. ‘Ik dacht, misschien zijn er nieuwe regels, dat het personeel niet meer met ons mag praten.’
‘Ik heb u wel begroet, mevrouw Boeijen.’
‘Ik zal wel gek zijn, dan.’
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Ik pak de tillift uit de hoek van de kamer. Terwijl ik deze naar mevrouw Boeijen rijd, draait ze de voetsteunen van haar rolstoel verder naar achteren. Dat doet ze om behulpzaam te zijn, maar het is niet handig. De voetsteunen moeten in een hoek van 90 graden staan. Ik kom achter de tillift vandaan en draai de voetsteunen terug. ‘Kijk, zo moeten ze staan, anders kunnen de wieltjes van de lift er niet onderdoor, snapt u?’
Ik help haar in het harnas dat met haken aan de lift bevestigd moet worden. Mevrouw Boeijen maakt zelf een haak vast, maar ze gebruikt de verkeerde. Ik maak de haak los en bevestig de andere. ‘Anders hangt u straks scheef.’
‘Het is niet gauw goed bij jou, hè?’
Wanneer de klus is geklaard en ik de deur van mevrouw Boeijens kamer achter me sluit, zie ik al op tegen de volgende keer dat ik haar moet helpen. Mevrouw Boeijen staat op mijn lijstje van bewoners die ik straks naar bed moet brengen. Zal ik mijn collega vragen of ze mevrouw Boeijen met mij wil ruilen tegen een bewoner die op haar lijstje staat? Beschaamd zet ik die gedachte van me af. Ik moet dit toch gewoon kunnen?
Eerder vandaag heb ik mevrouw Van Ee (77) gewassen. Mevrouw Van Ee heeft dementie en is inmiddels haar hele verstand kwijt: als je haar een bord eten voorhoudt, duwt ze haar neus erin en schrokt het naar binnen, en als je haar probeert aan te raken, klauwt ze sissend van zich af, als een wilde kat.
Ik probeerde alle rust en kalmte die ik in me heb naar haar uit te stralen, en het werkte. Zonder protest liet ze zich uitkleden, wassen en aankleden. Ik kreeg zelfs een aai over mijn wang. Zelf vond ik ook dat ik het geweldig had gedaan. Ik voelde me een bejaardenfluisteraar. Maar mevrouw Boeijen heeft me weer met beide benen op de grond gezet.
‘Hallo, mevrouw Boeijen!’, roep ik luid en duidelijk, wanneer ik de eetzaal binnenkom. De bewoners zitten aan tafel voor de warme maaltijd.
‘Dag, lieve jongen’, zegt ze.
De begroeting is veiliggesteld. Ik moet er gewoon extra goed voor zorgen dat mevrouw Boeijen weet dat ik haar zie, dan komt alles goed. Ik schep haar als eerste het eten op, en als ik na de maaltijd rondga met koffie en thee, begin ik bij haar. ‘Wilt u een kopje koffie, mevrouw Boeijen? Wat wilt u erin?’
En dan toch, als ik later op de avond haar kamer binnenkom om haar naar bed te helpen, zit ze me weer met die blik aan te kijken. ‘Jij weet van iedereen wat-ie in de koffie lust, hè?’, vraagt ze.
Is dit een strikvraag? Ik weet niet wat ik moet antwoorden.
‘Aan de anderen vraag jij niet wat ze in hun koffie willen. Je doet er bij Gerard twee zoetjes in en bij Annie melk. Jij weet van iedereen wat-ie in de koffie lust, behalve van mij. Hoe komt dat, dat je dat niet kunt onthouden?’
Weer mis.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns