Home

Iedereen kan zingen, maar meestal staan mensen er niet voor in de rij

Ik heb iets ingezongen in een muziekstudio. Ze noemden mij ‘de vocalist’, om de schijn van gelijkwaardigheid te wekken met de aanwezige muzikanten. Ik ben net zomin een vocalist als ik een kok ben. Luister, iedereen kan koken, iedereen kan zingen, maar meestal gaan mensen er niet voor in de rij staan met hun portemonnee in de hand. Maar ik kan één ding echt wel goed, en dat is teringzuiver toon houden, en dat is soms ook nodig. Hoewel, met de computer kun je een hoestende geit nog zuiver laten klinken – maar sommige ouderwetse producers houden van het ambachtelijke handwerk.

De muzikanten waren professionals, stuk voor stuk jongens die iets veel beter konden dan bijna iedereen. Omdat ik ook een beetje kan spelen, ben ik bevoegd dat te beoordelen: ze waren echt heel goed. Ik ga lekker met dat soort lui. Ze zijn niet rijk, ze zijn niet beroemd, ze zijn gewoon aardig en goed en je kunt met ze lachen, en ze zeggen dingen als: ‘Maar als ik ’m nou zo pak...?’ en dan doen ze iets fenomenaal moois waardoor er weer honderd nieuwe muzikale deuren opengaan, en ze zeggen dingen als: ‘Begin maar, dan wandel ik erachteraan’. Hun achteloosheid staat in schril contrast met de wonderen die ze verrichten. Niemand met gevoel in z’n donder kan daarbij zitten zonder het gevoel te krijgen in het gezelschap van tovenaars te verkeren.

Over de auteur
Thomas van Luyn is cabaretier, presentator en columnist voor Volkskrant Magazine. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.

De zanger valt er meestal een beetje buiten, omdat-ie eigenlijk een grote solo speelt. In een apart hokje, met glas eromheen, als om te benadrukken dat-ie er niet écht bij hoort. En meestal zijn de muzikanten koffiedrinken als er gezongen moet worden, want zangers willen hun partijtjes de hele tijd overdoen omdat het onzekere trutten zijn, en dat houdt enorm op. Dus meestal speelt de band hun partijen in, gaan ze weg, en dan mag de zanger in zijn eentje honderd keer proberen zijn kleine aandeel aan het geheel toe te voegen.

De man die dit allemaal overziet (het is altijd een man) zit achter een mengtafel, dus dat ding met al die schuifjes. Tegen hem moet je de vaste grap maken: ‘Altijd van je af schuiven’, en dan zal hij braaf lachen. Hij is ook degene die tegen de zanger dingen zegt als: ‘Nog eentje voor de heb’, hetgeen een audiotechnische term is voor: ‘Dat was helemaal kut’.

Het kan een beetje broeierig worden in zo’n studio. Alles is van hout, er ligt bruin tapijt, en zijn geen ramen dus er kan ook niet een raampje open. Tijd wordt een abstractie, in deze geïsoleerde ruimte, waar alleen het geluid bestaat dat je zelf maakt. Gek genoeg liggen veel studio’s op schitterende locaties. Dat is juist zodat je, wanneer je per ongeluk naar buiten stapt, je knipperend tegen het daglicht kunt vergapen aan de natuur – bomen, duinen, bergen – net waar de studio ligt, om je eraan te herinneren dat er een wereld is met echt licht en verse lucht.

Deze studio lag tussen ouderwetse weilanden met woeste graspollen, hoog riet en fruitbomen. Overal lagen soezende kippen, geitjes kwamen bedelen om achter de oren te worden gekrabd. Ik denk dat muziek zo etherisch is, zo abstract, dat muzikanten graag aan levende stinkgeiten krabben, voor de broodnodige balans. Ik wel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next