Dinsdag 2 juni 1970 had een doodnormale dag moeten worden: het was warm en zonnig buiten, een klein meisje speelde vrolijk in de tuin terwijl haar moeder de plannen voor de avond voorbereidde. Haar vader was vroeg naar zijn werk vertrokken, maar zou ook vroeg thuiskomen. Ze zouden in de avond naar vrienden gaan voor een gezellig etentje. Het telefoontje dat volgde, veranderde alles.
Amanda McLaren was slechts vier jaar oud toen haar vader Bruce omkwam tijdens een test op Goodwood. Ze herinnert zich weinig van die dag, buiten dat ze die avond (zoals gepland) het huis in Burwood Park verlieten om naar vrienden te gaan, en dat ze een gloednieuwe poppenset kreeg. Dat verbaasde haar, want het was immers niet haar verjaardag, noch Kerstmis. Nu, meer dan vijftig jaar later, is ze gelukkig getrouwd met haar man Stephen, woont ze in Nieuw-Zeeland en vertegenwoordigt ze als ambassadeur het merk dat haar vader heeft opgericht. Daarnaast houdt ze zijn nalatenschap in ere via de Bruce McLaren Trust, waarvan zij en Stephen de beheerders zijn.
“Ik werd die dag weggehouden van alle gebeurtenissen…, maar het ging er in die tijd ook nog heel anders aan toe”, zegt ze. “Kinderen kregen enkel te horen wat ze moesten horen. Mijn moeder besloot dat mijn leven zo lang mogelijk door moest gaan zoals het was. Ik ben niet naar de begrafenis van mijn vader [in Nieuw-Zeeland] geweest, noch naar de herdenkingsdienst in St. Paul’s. Ik denk dat ik niet eens wist dat hij dood was. Ik wist dat er iets niet klopte, maar ik was zo gewend dat hij vaak lang van huis was dat dat gewoon niet tot me doordrong. Tegelijkertijd heeft het mam diep geraakt. Ze verloor niet alleen mijn vader, maar niet veel later had ze ook een miskraam. Ze was getraumatiseerd.”
Mama Patty moest het opeens in haar eentje zien te redden, duizenden kilometers weg van haar familie, terwijl ze probeerde een stabiele situatie te creëren voor Amanda. Daarnaast nam ze de plek in van Bruce in het bestuur van Bruce McLaren Motor Racing Limited. Dat bestond in eerste instantie uit zoveel mogelijk emotionele steun bieden aan ‘haar jongens’ in het raceteam. Het is dan ook geen wonder dat Patty McLaren moeite had om tijd te maken voor haar eigen verwerkingsproces.
Amanda McLaren was pas vier jaar oud toen ze haar vader verloor. In die tijd werden kinderen nog weggehouden van de werkelijkheid.
Amanda gaat niet in op de donkere dagen van deze periode, maar het is duidelijk dat dit ook op haar effect had. Niet veel later wordt ze gediagnosticeerd met diabetes type 1, iets wat tegenwoordig vaak wordt toegeschreven aan stress en angst. “Ik denk dat mensen simpelweg dachten dat mam en ik een bevoorrecht leven leidden, als familie van een wereldberoemde coureur”, voegt ze toe. “Toen mijn vader leefde was dat inderdaad het geval, maar zodra hij overleed werd alles anders. We hadden veel steun aan familievrienden. De Hulmes, de Hills en de Stewarts kwamen geregeld langs. Terwijl de ouders praatten, maakten wij kinderen veel kabaal. Maar toen ze eenmaal vertrokken waren, waren er geen plannen voor een volgende reis naar Kyalami of Monaco. Voor mam waren er geen dansfeestjes meer, of fotoshoots. Er was ook geen inkomen meer. McLaren was in die tijd geen Ferrari noch Lotus: het waren simpelweg wat hardwerkende mannen, toegewijd aan mijn vader.”
Het is veelzeggend dat Patty McLaren er niet alleen alles aan deed om de toekomst veilig te stellen van wat een van de beste raceteams aller tijden zou worden, maar zich ook toelegde op de opvoeding van Amanda en haar werk met de Women’s Motor Racing Associates Club (beter bekend als ‘the Doghouse Club) voort te zetten. Dit laatste was een goed doel, opgericht door de vrouwen van coureurs, om mensen uit de autosport te steunen die te maken hadden gekregen met ongelukken of overlijdens. “Mam zette altijd haar beste beentje voor”, vervolgt Amanda. “Zij en Bette Hill vonden het geweldig om anderen te helpen. Ik ben ongelofelijk trots dat ik nu, vele jaren later, beschermvrouwe ben van de organisatie die niet alleen ons direct na de dood van mijn vader heeft geholpen, maar ook mijn moeder een missie heeft gegeven op het moment dat ik zelf dingen ging doen.”
Patty speelde als vrouw een grote rol binnen het raceteam - iets wat in die tijd zeer ongebruikelijk was - maar dat ging haar goed af. “Mam was geen engineer, maar dat betekent niet dat ze niet snapte hoe de elementen en uitdagingen van het runnen van een succesvol raceteam werkten. Ze heeft gedurende het hele bestaan van het bedrijf aan de zijde van papa gestaan. Ze was volledig op de hoogte van de eisen die golden voor Can-Am of Formule 1. En natuurlijk was ze zich ook bewust van wat hij probeerde te bereiken door onze successen met de raceauto's te gebruiken om ook een productiewagen te ontwikkelen.”
Jaren later werd Patty overgehaald om haar aandelen te verkopen. Dat zat haar niet lekker, maar haar werd verteld dat het de enige manier was om de toekomst van McLaren veilig te stellen. Ze verloor haar man, en nu moest ze voor haar gevoel ook nog eens haar familienaam afstaan.
Patty McLaren bleef na zijn dood betrokken bij het team dat haar man had opgericht.
Foto door: Motorsport Images
De afstand tussen de familie en het team werd steeds groter. Daardoor had Amanda McLaren in eerste instantie ook weinig op met de autosport. In elk geval niet tot 1976 toen ze, op 10-jarige leeftijd, op Brands Hatch toeschouwer was bij een van de meest legendarische Britse Grands Prix aller tijden. “Ik was al wel eerder op Brands Hatch geweest, maar ik vond het racen nooit zo interessant. Ik reed liever op mijn denkbeeldige paard tussen de toeschouwers door. Dat veranderde allemaal in 1976, toen mam me meenam naar haar werk. Plotseling stond ik oog in oog met James Hunt. Ik had een poster van hem aan de muur in mijn slaapkamer, net zoals veel van mijn vrienden. Niet omdat hij coureur was, maar omdat hij zo ongelofelijk knap was!”
“Het was bovendien memorabel vanwege de chaos die ontstond na de crash in de eerste bocht, waarbij James werd uitgesloten van deelname aan de herstart. De sfeer was geladen. Toen ik alles de volgende dag op school aan mijn vrienden vertelde, wilden ze allemaal weten hoe ik daar terecht was gekomen. Ik legde uit dat hij racete voor het team dat mijn vader had opgericht. Toen realiseerde ik me dat ik er verder weinig over wist. Vanaf dat moment wilde ik er alles over weten. Ik dook in de collectie tijdschriften en boeken van mijn moeder. Alle puzzelstukjes vielen opeens in elkaar… Ooms Denny, Jackie en Graham [Hill, die het jaar daarvoor was overleden] waren niet alleen goede vrienden, ze behoorden tot de grootste wereldkampioenen aller tijden. En uiteraard waren er ook boeken en tijdschriften over papa. Ik wist dat hij coureur was geweest, maar hoe goed zijn prestaties waren… Het overwinnen van zijn ziekte, de gehele wereld over reizen om de jongste winnaar van een Grand Prix te worden, zijn eigen auto’s bouwen, Le Mans winnen, en dat alles met de meest geduchte concurrenten… Het was overweldigend, zeker toen ik met mijn ‘ooms’ over hem kon praten.”
Ondanks haar achtergrond, was ze op het eerste oog een heel normale tiener. Ze hield van muziek, mode, jongens en paarden, hield niet van sport en was (toentertijd) niet bijster gek op wetenschap. “Toen ik eindexamen deed, had Ron Dennis de leiding over het bedrijf. In die tijd zat ik op een meisjesschool. Daar werd nooit gesproken over een carrière als ingenieur. De gedachte dat ik aan de slag zou gaan bij McLaren, kwam dus bij niemand op. In plaats daarvan gaf de school ons vijf basisopties. Je kon arts worden, of dierenarts; een opleiding tot verpleegkundige volgen, bij de politie gaan of leraar worden. Ik koos voor verpleegkunde. Door mijn diabetes bracht ik al veel tijd door in het ziekenhuis en ik zag met eigen ogen welk verschil een verpleegkundige kon maken. Ik had ook het geluk dat medische technologie snel ontwikkelde. Naarmate mijn carrière vorderde, kon ik me niet alleen specialiseren in anesthesie en reanimatie, maar kon ik ook anderen trainen in het gebruik van defibrillators en beademingsapparatuur.”
De interesse in de autosport en de prestaties van haar vader ontstond na de Grand Prix op Brands Hatch 1976.
Foto door: Motorsport Images
Dit verhaal toont aan hoe het er in eerdere generaties aan toeging. Toen Patty McLaren met Bruce meeging naar raceweekends, waren de enige vrouwen in of rond de pitstraat de vrouwen en vrienden van de rijders. Zij moesten de rondetijden bijhouden en elkaar steunen wanneer er iets gebeurde met hun man. Langzaam maar zeker kregen vrouwen kleine professionele taken binnen de sport, maar daar bleef het lange tijd bij. Gelukkig verandert dat in de 21e eeuw in rap tempo. Het is echter veelzeggend dat als Amanda McLaren een man was geweest, dit verhaal waarschijnlijk heel anders was gelopen. Het is volledig haar verdienste, en van Mike Flewitt (destijds CEO van McLaren Automotive) dat Amanda en haar man Stephen in 2014 werden aangesteld als merkambassadeurs van de supercar-fabrikant. Voor McLaren was dit een cruciale ‘missing link’: erfgoed, voor Amanda was dit de ideale manier om het gedachtegoed van haar ouders in leven te houden.
Door de samenwerking met McLaren verhuisde Amanda (met Stephen) van Nieuw-Zeeland naar Engeland, net zoals haar vader decennia eerder had gedaan. Bijna acht jaar lang werkten ze in Woking, en reisden de wereld over om het verhaal te vertellen van een bijzondere jongeman en zijn auto’s. Een verhaal dat nog elke dat inspireert. Maar nu zijn ze eindelijk weer thuis, al zijn hun dagen nog altijd net zo druk. De Bruce McLaren Trust werd in 1997 opgericht om niet alleen de prestaties van Bruce en de zijnen te eren, maar ook om jonge rijders en engineers te helpen hun potentieel waar te maken. Amanda en Stephen concentreren zich op scholarships (met stages bij McLaren) en het creëren van een nieuwe thuishaven voor de grote collectie van de Trust. “Het zal je verbazen hoeveel mensen denken dat McLaren nog steeds een familiebedrijf is, en dat ik profiteer van de enorme winsten die geboekt worden…”, zegt ze. “Ik was een verpleegkundige en reed rond in een oude Volkswagen Kever.”
Waarom ze zoveel waarde hecht aan het werk dat ze verricht met de Trust? “Omdat alle huidige en historische intellectuele eigendommen behoren tot de McLaren Group. We zijn dus ongelofelijk vereerd dat Zak Brown als beschermheer is toegetreden tot de Trust, dat we het originele Kiwi-logo mogen gebruiken en dat we door de McLaren Group worden ondersteund en erkend in ons werk. Hoewel ik geniet van het rijden in snelle auto’s, heb ik nooit willen racen. En hoewel ik via de verpleegkunde een liefde ontwikkelde voor wetenschap en engineering, heb ik dat op de meest waardevolle manier kunnen gebruiken. En nu ben ik eindelijk in staat om mijn beide ouders te vertegenwoordigen, en alles wat zij bereikt hebben. Ik weet dat ik McLaren kan vertrouwen in het uitdragen van de visie van pap, en het is een enorme eer dat McLaren ons toevertrouwt om voor zijn verleden te zorgen.”
Amanda McLaren is nu een merkambassadeur voor de supercarfabrikant
Source: Motorsport