Tussen 1977 en 2022 is het aandeel vrouwen dat economisch zelfstandig is, gegroeid van 20 naar bijna 70 procent. Bij mannen bleef het stabiel rond 80 procent. Boven de zestig jaar steeg het aandeel economisch zelfstandigen zowel bij mannen als bij vrouwen het sterkst. Dat blijkt uit nieuwe analyses van het CBS van inkomensgegevens.
Economisch zelfstandig betekent dat iemand ten minste het bijstandsniveau verdient. Het aandeel wordt berekend voor mensen die geen onderwijs volgen en die tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd zijn. De cijfers komen uit de inkomensstatistieken, die het CBS vanaf 1977 maakt.
Sterkste stijging in jaren tachtig en negentigBij vrouwen steeg het aandeel economisch zelfstandigen in verhouding het meest in de jaren tachtig en negentig, toen de arbeidsparticipatie van vrouwen sterk toenam. Ook na de economische crisis van 2009-2013 kwamen er relatief veel economisch zelfstandige vrouwen bij. Dat komt deels doordat vrouwen meer uren per week gingen werken.
Bij mannen volgt het aandeel economisch zelfstandigen de conjunctuur, omdat zij vaker dan vrouwen werken in conjunctuurgevoelige sectoren, zoals de bouw en de ICT. Tijdens de recessie van de jaren tachtig bereikte het aandeel economisch zelfstandige mannen een dieptepunt in 1985. Ook in de vorige economische crisis en in coronajaar 2020 daalde het.
Grootste stijging bij 60-plussersIn opeenvolgende generaties vrouwen is het aandeel economisch zelfstandigen op elke leeftijd steeds groter geworden. Bij vrouwen van 60 tot 65 jaar steeg het aandeel in verhouding het sterkst. Zo was van de generatie vrouwen geboren voor 1930 op 61-jarige leeftijd 5 procent economisch zelfstandig. Van de generatie geboren tussen 1960 en 1975 was dat met bijna 50 procent tien keer zo hoog. Behalve dat vrouwen steeds vaker en meer uren werken, speelt ook hun toegenomen onderwijsniveau hierbij een rol.
Dal rond 30e levensjaar bij vrouwen vrijwel verdwenenIn de generatie vrouwen geboren tussen 1945 en 1960 daalde het aandeel economisch zelfstandigen tot 30-jarige leeftijd, waarna het steeg tot het 50e levensjaar en vervolgens weer daalde. In de jongere generatie geboren tussen 1960 en 1975 steeg het aandeel economisch zelfstandigen tot 25 jaar en daalde daarna tot 35-jarige leeftijd. Tussen 25 en 35 jaar worden veel vrouwen moeder, en dat ging in die generaties vaak gepaard met minder werken of stoppen. Dat gebeurt in jongere generaties minder: vrouwen blijven vaker wel werken, en hebben ook grotere deeltijdbanen.
Bij mannen weinig verandering tussen 25 en 50 jaarIn elke geboortegeneratie mannen neemt het aandeel economisch zelfstandigen tot 25 jaar toe, verandert daarna weinig tot het 50e levensjaar, om vervolgens te dalen. Bij mannen is er geen daling in economische zelfstandigheid rond de leeftijd waarop zij doorgaans vader worden. Zij blijven na de geboorte van hun eerste kind meestal voltijds werken. De terugloop vanaf 50 jaar komt doordat steeds meer mannen door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid afhankelijk raken van een uitkering. Ook speelt bij de oudere generaties vervroegd pensioen een rol.
Bij mannen verschil tot 25 en boven 60 jaarBij mannen verschilt het aandeel economisch zelfstandigen tussen opeenvolgende generaties veel minder dan bij vrouwen. Ook bij mannen nam het aandeel het meest toe vanaf 60 jaar. Dat hangt samen met het overheidsbeleid om vervroegde uittreding uit het arbeidsproces tegen te gaan, wat ook bij vrouwen een rol speelt. In de generaties geboren na 1975 zijn mannen tot 25 jaar vaker economisch zelfstandig dan in eerdere generaties.
Tussen 1977 en 2022 is het aandeel vrouwen dat economisch zelfstandig is, gegroeid van 20 naar bijna 70%. Bij mannen bleef het stabiel rond 80%. Meer op: https://t.co/7neogElsKl pic.twitter.com/zNxZSEwmTB
Source: Fok frontpage