Een tweede boek schrijven na een succesvol debuut is altijd moeilijk, want je kunt alleen nog maar tegenvallen. Lezers en recensenten wapenen zich met wantrouwen. Zie je wel. Het was toch een eendagsvlieg, een hype. Een tweede boek wordt al helemaal weinig aanlokkelijk als het debuut de schrijver naast succes een hoop narigheid bracht, zoals Lale Gül overkwam.
Zij debuteerde in 2021 op haar 23ste met Ik ga leven, een roman over een Turks-Nederlands meisje, studente Nederlands, dat zich losmaakt van het streng-islamitische en beknellende milieu thuis. Het boek werd de bestverkochte Nederlandstalige roman van 2022, maar Gül betaalde een prijs: ze werd uitgescholden en bedreigd. Haar familie steunde haar niet, haar moeder verklaarde haar dood. Ze moest zich verstoppen, zocht bescherming en kreeg die van burgemeester Femke Halsema.
Toch durfde Gül een tweede boek aan, het onlangs verschenen Ik ben vrij, waarin ze vertelt hoe het de hoofdpersoon van haar eerste boek sinds publicatie is vergaan. Dat is ongelooflijk moedig. Los van wat je van beide boeken vindt: doorschrijven is een daad van verzet, een van de oudste en meest wezenlijke functies van literatuur, tegen mensen die anderen de mond willen snoeren.
En ja, Güls hoofd lag meteen op het hakblok. In de eerste recensie die over het boek verscheen, in Trouw, sabelt Femke Essink het neer, omdat het meer leest ‘als een memoir dan als een roman en meer als een politiek pamflet dan als een memoir’ – kennelijk beide een vanzelfsprekende diskwalificatie. De kritiek blijkt niet literair maar ideologisch: Gül is ‘ongenuanceerd’ over de islam. Ze heeft ‘het naïeve idee dat culturen en religieuze identiteiten een onvervreemdbare kern’ hebben’ – ja, dat is dat wat Güls hoofdpersoon vindt, de kern van haar proza. Essink noemt het ‘ijdel puberproza’. ‘Lale’ moet eerst maar eens ‘uitrazen’, alvorens mee te praten in het publieke debat.
Over de auteur
Aleid Truijens is schrijver en recensent en columnist voor de Volkskrant. Ze schreef romans en biografieën over F.B. Hotz en Hella Haase. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Wat een bevoogdend, neerbuigend stukje. Gül reageerde boos en scherp in haar column in Het Parool. ‘Zou er ook maar één iemand zijn geweest’, vraagt ze zich af, ‘die dit zou hebben gezegd over het boek Knielen op een bed violen van Jan Siebelink? Of over Dorsvloer vol confetti van Franca Treur? Of over de boeken van Maarten ’t Hart? Reve? Over Wolkers?’ Nee. Daarin heeft ze groot gelijk. Ex-christenen mogen woedend zijn, zij mogen zich wél emanciperen, maar een onderdrukte ex-moslima moet haar grote mond houden en ‘genuanceerd’ zijn.
Sinds staatssecretaris Halbe Zijlstra in 2011, toen nog niet ontmaskerd als leugenaar, draconisch bezuinigde op cultuur, is het een breed aanvaard standpunt: kunst, muziek, boeken zijn franje in het leven, voer voor de elite. Het plan in het hoofdlijnenakkoord om boeken, concert- en theaterkaartjes fors duurder te maken, wekt geen verbazing; het bevestigt dat kunst elitaire overbodige onzin is.
Het is de kunst zelf die moet terugslaan. Gül vlucht niet in nuance en laat zich evenmin inlijven bij het Wilders-kamp. Haar persoonlijke gebied, de vrije arena waarin haar personages hun gevecht leveren, dát is het terrein van de literatuur. Literatuur is geen instrument van de linkse of rechtse kerk, noch van zalvende opvoeders. Literatuur heeft niet de plicht om opbouwend te zijn, of verbindend, of ‘mooi’. Literatuur schuurt, in het publieke debat, en over de bodem van de eigen ziel.
Als literatuur mensen raakt en laat nadenken is dat mooi meegenomen. In een interview in NRC vertelt Gül dat in de Rotterdamse boekhandel Donner de meeste exemplaren van haar eerste boek werden verkocht, vooral aan meisjes met hoofddoeken. ‘Dat is toch leuk?’ Ja, dat is het zeker.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns