Home

Ze waren gewend te luisteren naar de garnaal, dat zag je aan de uitgebluste manier van knikken en glimlachen

Ik zat in een restaurant te wachten op een vriend. Het was nog vroeg, de zaak baadde in hard daglicht. Hoe vroeger hoe beter, had de vriend gezegd. Waarom precies was ik vergeten te vragen. Misschien daarom had ik zijn oproep ernstig genomen, en was ik daardoor veel te vroeg heel vroeg.

Om de tijd te doden testte ik alle vier de stoelen grondig op zaken als uitzicht, hardheid van de zitting, looplijnen naar het herentoilet. Erna bleek de tijd nog steeds in leven, bont en blauw weliswaar, zat hij me uitdagend aan te kijken.

Ik besloot wat theorieën los te laten op mijn vriends opmerkelijke wens. Waarom zo ontzettend vroeg? Ik had nog geen honger. In mijn buik, de stookkamer, lag nog een geboterde tosti met boerenkaas die pas half was opgebrand.

Had hij in Breda nog een andere, mij onbekende vriend? En dat ik en die andere figuur, zonder dat hij het ons op wilde biechten, in zijn plannenmakerij tot twee vliegen geworden waren? Een discrete klap? Rond acht uur zou hij gaan geeuwen, opdat hij uiterlijk halfnegen, vreemd laat vond zijn andere kameraad, in een restaurant nabij het onze, met zijn broek dan maar op de vreethaak, zou kunnen aanschuiven? Zo, daar was hij dan? Gezellig?

Misschien. Een stuk misschiener nog had mijn vriendin Jet al geopperd, is hij lid van van de 5 AM Club, ‘het transformerende ochtendritueel voor succes’, las ze voor, dat zijn ‘lui die door het rustigste moment van de dag te koesteren werken aan persoonlijke groei. Own your morning, elevate your life.’

Niet op ingaan.

Ik wierp een blik op de tijd, die zich kranig bleef weren. Hij stond naar me te roepen als die Monty Python-ridder in de Holy Grale, u weet wel. Ik had zijn armen en zijn benen eraf gehouwen, hij was nog maar een bloedende romp, toch brulde hij dat ik een lafaard was, en dat ik door moest vechten als een kerel.

Naast mijn tafeltje, erg dichtbij vond ik, waren zes mensen neergestreken. Misschien moest ik hun dan maar gaan afluisteren. Een garnaalachtig kereltje, de oudste van het stel, voerde al minutenlang het woord, hij reed een Tesla, legde hij de anderen uit, en wie een Tesla kocht, die kocht een computer op wielen. Maar wie een andere auto kocht, ongeacht welk merk, die kocht een auto met een computer erin.

Ik snapte heus wel wat de garnaal bedoelde, maar ik vond het een matig aforisme. Hij moest er nog aan sleutelen. Of die wielen moesten de tweede keer terugkomen, of ze moesten er helemaal uit.

Om de tijd de doodsteek te geven, echt klaar moest het zijn, probeerde ik kenmerken te formuleren waaruit bleek dat de garnaal de baas was, en dat de rest, onder wie een dame, zijn personeel.

Ten eerste waren ze heel vroeg. Lang niet zo vroeg als ik natuurlijk, maar ze kwamen duidelijk rechtstreeks van kantoor. Ten tweede was de rest gewend te moeten luisteren naar de garnaal, dat zag aan je de uitgebluste manier van knikken en glimlachen. Wie snel iets wilde aanvullen, een slijmerige instemming, een bevestigend voorbeeldje, moest op een gaatje loeren. Lukte dit min of meer, en dit leek me een derde aanwijzing, was de garnaal het er ondanks de meegebakken bijval niet mee eens. Nee, helemaal niet zelfs, hoorde ik hem tot twee keer toe zeggen, zo doet Tesla dat niet.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next