In De dag dat wielrennen weer leuk werd (21 april 2019) beschrijft historicus Luuc Kooijmans de opkomst van Mathieu van der Poel. Volgens Kooijmans is Van der Poel namelijk de man die het wielrennen weer leuk heeft gemaakt. Inderdaad maakte VDP het wielrennen de afgelopen jaren leuker met zijn avontuurlijke manier van koersen. Maar hij niet alleen – dat is per definitie onmogelijk. Het duel is in elke sport de kern waar het om draait, alle sportieve hoogtijdagen worden gedefinieerd door een gevecht tussen twee min of meer gelijkwaardige kampioenen. Alleenheerschappij roept bewondering op, maar geen passie.
Tadej Pogacar, die andere coureur die het wielrennen veranderde van een geprogrammeerde sport in een spektakelfilm is bezig de Ronde van Italië te winnen. Bij gebrek aan tegenstand heeft hij zichzelf uitgekozen als voornaamste rivaal. Pogacar zou de Giro op zijn gemak kunnen uitrijden – er wacht ook nog een Ronde van Frankrijk – maar dat doet hij niet. Hij won tot dusver drie van de negen etappes en daar komen er nog minstens vijf bij. Pogacar doet zijn uiterste best de wielerconsument waar voor zijn geld te bieden, maar hij mist wat daarvoor nodig is: een ambitieuze uitdager. Hij moet het in Italië doen met een Colombiaan die nooit écht is doorgebroken en een binnenkort 38-jarige Brit die hun eigen duel om de tweede plaats uitvechten. Dat is tamelijk armoedig, voor de op één na belangrijkste rittenkoers die de sport kent.
De alleenheerser in de sport is op een bepaalde manier een tragische figuur. Eddy Merckx (1945) is het archetype: hij won 442 van 1582 koersen waaraan hij als beroepsrenner deelnam: een voor een wielrenner ronduit bruut percentage. Maar superioriteit heeft de neiging afbreuk te doen aan het eigen imago: Merckx werd bewonderd maar was, behalve in België, niet geliefd; hij zou groter zijn geweest wanneer hij de helft van het aantal koersen had gewonnen in het bijzijn van een volwaardige tegenstander. Nu hangt rond zijn dictatoriale periode, die duurde van ongeveer 1968 tot 1975, de geur van saaiheid.
Je kunt een sporter moeilijk verwijten dat hij de beste is en dat hij alles wil winnen. Hij is slachtoffer van de omstandigheden en van tegenstanders die een confrontatie liever uit de weg gaan. Dat kan gemakkelijk, in het wielrennen. Tennis is slimmer ingericht: daar ontmoeten de allerbesten elkaar vier keer per jaar, bij het Australian Open, op Roland Garros, Wimbledon en de US Open. Ook in die sport heb je te maken met superieure talenten, maar zelden met voorspelbare zeges. Er is bijna altijd sprake van een gevecht om de hegemonie.
Elke volwassen sport is zo georganiseerd dat de kans op een duel wordt vergroot. De sportmarketeers kennen het belang. Voor Femke Bol is het te hopen dat minstens één rivale haar op de hielen blijft zitten en dat ze zich niet ontwikkelt tot een eeuwige nummer één. Maar de toevloed van talent in de atletiek is zo groot dat elke vorm van hegemonie na enige tijd wordt betwist – alleen Usain Bolt bleef tamelijk lang onaantastbaar, iets wat de spanning en aandacht niet bevorderde.
Als wielrennen écht leuk wil blijven moet het op zoek naar duels in de grote wedstrijden. Niemand, behalve misschien de moeder van de betreffende held, zit te wachten op de zekere zege.
Overigens was 21 april 2019 de dag waarop Mathieu van der Poel de Amstel Gold Race won, na een finale waarin hij meerdere heroïsche duels uitvocht.
Source: Volkskrant columns