Home

Ik heb het recht tegen haar te klagen, waar zijn levenspartners anders voor?

Als ik ruzie maak, doe ik dat meestal staand. Dat voelt het beste. Nu ook. Ik sta tegen het aanrecht. Mijn ogen spuwen vuur en uit mijn mond stroomt de lava der verontwaardiging. ‘Nee, luister’, bijt ik mijn vrouw toe. ‘Ik vind het prima dat je gaat. Prima. Echt. Doe lekker je ding. Maar ik mag het ook klote vinden.’ Morgen vertrekt ze voor vijf dagen naar Italië om een training te volgen die ze al jaren wil doen. Maar nadat onze dochters zich net weer eens onmogelijk gedroegen en ik uit mijn slof schoot en daarna bedacht dat dit het recept ging worden voor de komende dagen – dit alles tegen de achtergrond van een wat zwaar gemoed en slechte slaap – zakte de moed me in de schoenen.

‘Godverdomme’, verzuchtte ik hardop (zo hardop dat het voldoende hoorbaar was voor mijn vrouw – en misschien ook wel voor wat buren), ‘ik zie echt zo tegen die dagen op.’ En nu is ze er klaar mee. Ze voelt zich al een tijdje opgesloten; de muren van het nieuwe huis komen op haar af, het aarden in de nieuwe stad verloopt moeizaam, ze ziet haar vriendinnen weinig en heeft het gevoel dat ze alleen maar aan het werk is of bezig is met het huishouden. Ze heeft vroeger altijd veel gereisd en mist de vrijheid, het uitslaan van haar vleugels. Deze trip zal haar goed doen. En nu zit ik te zeiken.

‘Kan je dan niet gewoon bij je vrienden klagen? Of bij je moeder?’, vraagt ze. ‘Je snapt toch dat dit voor mij ook niet leuk is om te horen?’. Dat begrijp ik, maar ik vind óók dat ik mijn grieven bij haar mag ventileren. Zij heeft recht om haar ruimte te pakken en ik heb recht om te klagen. Kom op zeg, waar zijn levenspartners anders voor? ‘Ja natuurlijk’, zegt ze, ‘maar het gebeurt wel wat veel.’ Klopt. Lijden in stilte gaat me inderdaad nooit zo goed af. We zetten een streep onder de ruzie en ik beloof haar er niet meer over te beginnen.

Dat doe ik wel. Omdat het opzien tegen deze vijf dagen de helft van de waarheid is. De andere helft, vertel ik haar later, komt door die onrust van haar. Het is een onrust die ik heel goed begrijp, die ik zelf ook sterk kan voelen; de muren, de weken die op elkaar lijken, het gebrek aan vrienden, aan avontuur. Maar haar onrust is anders. Die komt door mij: ik ben niet voldoende voor haar. Dat verwijt ik haar, maar vooral mezelf. Terwijl het natuurlijk – om elke editie van de Happinez van de afgelopen duizend jaar te citeren – gewoon mijn eigen onzekerheid is. Want ik gun haar de wereld. En ik gun de wereld haar.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next