Home

Deze studenten hebben meer moed in hun kleine teen dan Joost Klein in zijn hele lijf, schoudervullingen incluis

Het wonderlijke aan kamperen is hoe het je perspectief op wat belangrijk is doet verschuiven. Allerlei spullen die je dacht nodig te hebben, laat je probleemloos achter. Je telefoon is ineens veel minder relevant dan droge sokken. Sociale media mis je niet als je tijdens een heftig onweer ook urenlang met je dochters kunt luisteren naar het geluid van de regen en de donder. Noties als ‘succes’ en ‘presteren’ verdwijnen naar de achtergrond wanneer de bliksem zo dichtbij inslaat dat de grond schudt en je kinderen tegen je aan kruipen.

De volgende dag zei iemand: ‘Het leek wel alsof de wereld verging.’ En ik telde onze zegeningen, want dat was natuurlijk niet zo. Of, althans, niet voor ons.

Over de auteur
Asha ten Broeke is wetenschapsjournalist en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Nog maar net terug in wat sommigen ‘de echte wereld’ zouden noemen, kwam ik een artikeltje tegen over het songfestivaloptreden van Joost Klein. Bij de eerste repetities was er een onfortuinlijke pino-achtige situatie gesignaleerd, die Nederland mogelijk een plek in de top 5 kon kosten. Blijkbaar zijn mannen in blauwe vogelpakken niet in trek dit jaar.

Even later zag ik een filmpje van een Palestijns jongetje van hooguit vier jaar oud. Hij was in een ziekenhuis in Gaza op zoek naar zijn moeder. Die bleek half bewusteloos op een brancard te liggen, maar zodra ze bijkwam, trok ze haar zoontje bovenop zich en hield hem stevig vast. Terwijl artsen haar verplaatsten, aaide ze zijn haar.

Dit is wat er toe doet, dacht ik. Je kind vasthouden terwijl je nog leeft.

In een interview vertelde Suzanne Collins, schrijver van The Hunger Games, hoe ze op het idee voor haar dystopische trilogie kwam: op een avond zapte ze langs een of andere televisieshow waar jonge mensen probeerden een miljoen te winnen, en daarna zag ze beelden van de oorlog in Irak. ‘Deze twee dingen begonnen op een verontrustende manier samen te smelten’, zei ze.

Wat er nu samensmelt: dat songfestival en de Israëlische aanval op Rafah. Het grijze gezichtje van een dood kind tussen het puin, een klein armpje tevergeefs over zijn broertje heengeslagen. Op tv: een hele trits matige popliedjes die over van alles mogen gaan, maar niet hierover.

Wat er samensmelt: een artikel op de website van de Volkskrant waarin amateur-bookmakers de liedjes van de tweede halve finale beoordelen en precies daarboven een reportage over de dappere studenten die van dinsdag op woensdag een gebouw van de Universiteit van Amsterdam hadden bezet en geblokkeerd. ‘All eyes on Rafah’, stond er op een spandoek. ‘Free Palestine’ op de muren. De politie kwam over hun barricades van stoelen, hekken en pallets gestormd, wapenstok in de hand, en begon meteen op de demonstranten in te slaan, soms tot bloedens toe.

Dit is wat er toe doet. Opstaan tegen onrecht, tegen bezetting, tegen genocide.

Deze studenten hebben meer moed in hun kleine teen dan Joost Klein in zijn hele lijf, schoudervullingen incluis. Nadat hem in een brief was gevraagd om niet naar songfestival af te reizen omdat dit niet het moment is om naar een feestje te gaan waar ook Israël voor is uitgenodigd, zei hij: ‘Helaas is het een te groot dilemma om denk ik op een kleine harlekijn als ik af te schuiven.(…) Als ik een wereldleider was, zou ik allang wat hebben gedaan, hoop ik.’ Ook het hoofd van de Nederlandse songfestivaldelegatie vindt wat er in Gaza gebeurt natuurlijk afschuwelijk, maar wil door met zijn taak: ‘En dat is een goede act neerzetten. En om met Nederland, voor Nederland, een zo goed mogelijk resultaat te behalen op het songfestival.’

Dit is niet wat er toe doet. Succes heeft hier geen betekenis meer. Als je ervoor hebt moeten wegkijken van de gruwelen in Gaza is de prijs zo hoog dat er niets meer te winnen valt.

Tegen de NOS omschreef Joost Klein zichzelf als ‘een klein onderdeeltje van de machine.’ Dat klopt. Maar we zijn allemaal kleine onderdeeltjes van de machine. De studenten die actievoeren voor Palestina, Joost, u, ik. De machine is groot, bloeddorstig, oorlogszuchtig. En het is nooit comfortabel om je klein te voelen. Maar dit is het goede nieuws: als voldoende onderdeeltjes weigeren mee te werken, komt de machine uiteindelijk tot stilstand.

Niets is nu belangrijker dan dat.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next