Vanavond komt hier een baby met een tent. Luuk heet hij, en hij is 0 jaar. (Zozo, ga ik tegen hem zeggen, dat gaat nog niet hard. Die kans krijg je zelden.)
Baby Luuks tent, is mij uitgelegd, zal worden opgezet op ons bed, zodat Luuk, alsof ons dekbed een grasveldje is en de slaapkamer een camping, erin kan slapen. Zolang baby Luuk niet denkt, heb ik gezegd, dat mijn kledingkast het toiletgebouw is, verheug ik me op zijn komst.
‘Hij kan nog niet eens lopen, zemelaar.’ Mijn vriendin Jet, die bij baby Luuk hoort, omdat Luuk het zoontje is van een van haar vriendinnen.
Zo ziet mijn sociale kring er ongeveer uit. In het midden heb je mijzelf, zo werkt het, eromheen lange tijd niks. Dan komen de vakkenvullers van de Albert Heijn, dan de vriendinnen van Jet. En daar weer omheen, als de ring van Saturnus, allerlei baby’s.
Over deze baby’s bereiken mij de wildste verhalen. Er schijnen er tussen te zitten die hele nachten huilen, maar je hebt er ook die hele nachten doorslapen. Pas nog baby Teun, die hoge koorts kreeg. De betreffende vriendin besloot ‘er minder dekens op te gooien’, met als gevolg onderkoeling (35,9 graden). Pas een etmaal later bereikte mij, via via uiteraard, het verlossende nieuws dat baby Teun weer een normale, gemiddelde temperatuur had aangenomen, dit, omdat ze ‘er gewoon weer wat meer dekens op had gegooid’.
Ondertussen groeien de baby’s als kool. Laatst was er hier eentje, baby Max, 5 jaar oud alweer, die ons vertelde dat de roodzwarte kevertjes op onze schutting vuurwantsen zijn. Die doen niks, zei hij.
Behalve of het goed met al deze baby’s gaat, worstel ik met hun namen. Het systeem is hard, helemaal aan het begin ontvang je een kaartje waarop alle gegevens staan. Wat je nauwelijks beseft is dat zo’n baby maanden later, al dan niet met een tent, op de stoep kan staan. Je wordt dan geacht te weten hoe de baby heet.
‘Luuk’, mompel ik.
‘Wat zeg je?’
‘Luuk is de naam.’
Midden jaren negentig heb ik al eens een babygolf doorstaan, toen van de g’noten (jaarclub). Rond hun dertigste gingen ze als bunzingen tekeer. Het gros van deze g’notenbaby’s, de meeste studeren al, moet ik nog ontmoeten. Kinderverjaardagen doen we niet aan, zit verwerkt in de contributie. Wel ken ik ze allemaal bij naam.
‘Zeg dan.’
‘Pepijn, Lucas’, begin ik, ‘Zwaantje, Jan... Emmy...’ Stilte. ‘Vera, Thijmen...’ Minutenlange stilte. ‘Julian...’ Ik sta op, staar in de ijskast, en ga, het lood reeds in de billen, weer zitten. ‘Hadassah, Sylvester’, zeg ik. ‘Olivia.’ Zwijgend werken we door. ‘Iris’, zeg ik na een uur. ‘Lauren...’
Met nog een baby of zes te gaan moet ik helaas de chamade blazen.
Wat dat betreft dank ik mijn broers en mijzelf. We hebben alle drie geen baby’s, puur om elkaar een beetje te sparen. Je moet er toch niet aan denken, zes tot negen kinderverjaardagen. Een der g’noten komt uit een echte konijnenfamilie. Ooit vertelde hij me ieder weekend, op zaterdag én zondag, aan te treden op een kinderverjaardag.
‘Maar wat doen jullie dan?’
‘Taart eten. Neuken. Gewoon.’
Wat mijn broers en ik gedaan hebben, is onze eigen verjaardagen afschaffen. Eerst geen feestjes meer, maar elkaar wel geld geven. Toen zijn we die 10 euro tegen elkaar gaan wegstrepen, gesloten beurs. Wel nog bellen. Dat is gaandeweg appen geworden. Maar omdat iedere baby vanzelf ouder wordt, wijzelf incluis, zijn we daar ten slotte ook mee opgehouden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns