Grosso modo, ik vertel niks nieuws, is Nederland dol op dode Joden. U weet, aanvankelijk telden zij amper mee in de rituelen rond 4 mei. Pas toen eind jaren zestig, begin jaren zeventig de gruwelijke waarheid van de Shoah breed doordrong kwam de Dodenherdenking vooral in het teken van deze schandvlek te staan. Volkomen terecht, dat spreekt.
Uiteraard was niet iederéén het daarmee eens. Van meet af aan waren er groepen die hengelden naar aandacht tijdens de Dodenherdenking – denk aan de jongeman die in 2012 op de Dam een zelfgemaakt gedicht over zijn gesneuvelde foute oudoom zou voorlezen, denk aan de hippe dominee die in 2017 het Amsterdamse Rembrandtplein wilde volplempen met kruisen voor vluchtelingen, denk aan al die andere dwaallichten die 4 mei de uitgelezen datum achtten om te wijzen op hun eigen bekommernissen. De Heer zij geloofd en geprezen lukte dat meestal niet.
Over de auteur
Elma Drayer is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Maar ja. Na 7 oktober, ik vertel alweer niks nieuws, is alles anders. Met verbluffende vanzelfsprekendheid ondervinden Joden alhier sindsdien de gevolgen van wat er duizenden kilometers verderop gebeurt, in Israël en de Gazastrook. En nee, dan heb ik het niet eens over de sensationele groei in antisemitische incidenten. Niet over scheldpartijen of bekladdingen, niet over bedreigingen, noch over salon-activisten die in hun afgrondelijke naïviteit leuzen nablaten van een terreurclub. Dan heb ik het over een vele malen subtieler fenomeen: een klimaat waarin niet-Joden de facto bepalen hoe Joden tegen de dingen dienen aan te kijken. Waarin niet-Joden bepalen welke Jood deugt en welke niet.
Klein voorbeeld uit vele: antizionistische Joden mogen zich in een bijna hilarisch grote belangstelling verheugen. Laat als Jood doorschemeren dat je niets moet hebben van Israël, de vaderlandse pers hangt bij wijze van spreken onmiddellijk aan de lijn. Joden daarentegen die genuanceerder tegen het vraagstuk aankijken komen in de media nauwelijks meer aan bod. (Wel vindt de voorheen zo onberispelijke NRC het helemaal niet schandalig om een vrijwel bronloos opiniestuk aldus te introduceren: ‘De ideale Israëlische man, ‘de macho’, is pas op zijn best als hij Palestijnen vermoordt, vernedert, onderdrukt en uitkleedt.’)
In zo’n klimaat, wil ik maar zeggen, hoeft het niemand te verbazen dat menigeen het nogal moeilijk heeft met al die aandacht voor Joden op 4 mei. Voortdurend halen opiniemakers het conflict in het Midden-Oosten erbij. En alom klinken er zalvende pleidooien om de Dodenherdenking te verbreden naar het contemporaine leed der Gazanen.
De redenering daarachter gaat doorgaans als volgt. Zeker, het was vreselijk naar wat er met de Joden gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar heden ten dage gebeuren er in dit ondermaanse óók vreselijk nare dingen. Dus moeten Joden op 4 mei maar een beetje inschikken.
In de vrome woorden van oud-politica Andrée van Es, voorzitter van het Amsterdams 4 en 5 mei comité: ‘(…) Amsterdam herbergt in al zijn diversiteit inmiddels zo veel mensen van overal op de wereld, met hun eigen ervaringen van oorlog en onderdrukking. Wij vinden dat die ook recht hebben op hun plek. Het herdenken van de oorlog is ook een beperkte blik geweest, waarbij veel mensen buiten de boot vielen.’ Dus wil haar comité aandacht besteden aan ‘gewelddadigheden’ elders en aan wat voor ‘impact’ die hebben op de stad. Anders komt er volgens haar een moment waarop je ‘als herdenking ongeloofwaardig wordt’.
Juist ja. Een herdenking is pas geloofwaardig als je er hedendaagse ellende bij sleept? Eerlijk is eerlijk, daar moest ik even op kauwen.
Als vanzelf schoot me de rede te binnen die publiciste Renate Rubinstein in 1988 hield op verzoek van het toenmalige Nationaal Comité 4 en 5 mei (integraal terug te vinden op YouTube). ‘Wat is het nut van al dat herdenken?’, sprak ze met die keurige, nu zo gedateerde dictie. ‘Naar mijn mening is er geen ander nut dan de herinnering zelf. De doden moeten gememoreerd worden en rouwenden mogen niet in de steek gelaten worden. Dat is een kwestie van respect en zelfrespect.’
Beter adagium voor de Dodenherdenking anno 2024 kan ik niet bedenken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns