Terwijl om ons heen de beschaving instort, zo mag ik de kranten van afgelopen week toch wel samenvatten, om de zon is een harige zak geschoven, kijk maar door uw vliegtuigraampje, de maan heeft een bloedrode kleur aangenomen, zoeken wij tegeltjes voor in de keuken. Hou dit zedig voor jezelf, zou je zeggen, maar inmiddels is er sprake van een queeste. En dan zit er een stukje in. (En dus ping.)
Zoeken naar het juiste tegeltje, lees ik in de literaire handboeken, ontaardt in een queeste zodra het een levenstaak wordt, check. Ze kenmerken zich door lange reizen met obstakels zoals wilde rivieren, enorme bordelen, en een tegelboer die al om half vijf dichtgaat. Check.
Lancelot is dan nog aan het writen, snappie. Nou ja, dan verplaatsen we de queeste naar koopavond. Onze tegelboer zit aan de andere kant van Breda, bij het NAC-stadion, wat een halfuur fietsen is. Enerzijds geeft dit een grootstedelijk gevoel, (‘groot hè, Breda, misschien wel groter dan Amsterdam’), anderzijds loopt mijn achterband al een paar weken langzaam leeg.
Dus neem ik, als het zwaard Excalibur, een fietspomp mee. En inderdaad, halverwege moet ik bijpompen, wat er heel dom uitziet. Jonkvrouw die doet alsof ze er niet bij hoort. Een binnenband is geen knie die vanzelf geneest, dat leer ik ervan. Je kunt hem net zo goed meteen laten plakken, in plaats van na wekenlang iedere keer bijpompen voor je wegfietst. Ivanhoe? Waarom?
Wat onze queeste zwaar maakt, zwaarder dan die van gewone hobbits, is dat we de heilige graal al vijf keer in handen hebben gehad, maar we hem toch niet mee naar huis namen. Als Parceval internet had gehad, zou hij doorgezocht hebben. Is er ergens, online, niet nog een betere heilige graal?
Wat onze queeste beschamend maakt, is dat ze alle vijf de keren naar dezelfde tegelboer voerde. Het is trouwens een boerin. Over deze dame niets dan lof. Het is een schatje. Absoluut geen Sauron, ook bekend als Mairon, als Annatar, als Gorthaur de Wrede, als Necromancer, als de Zwarte Hand, als ‘Hij’, en natuurlijk als de Lord of the Rings. En dan laat ik de helft nog weg. Nee, onze tegelvrouw gaat juist gebukt onder een onverwoestbaar humeur, ook na vijf keer.
Of ze ons inmiddels herkent, weten we niet. Ik verschijn nu al een tijdje avec fietspomp, wat het geheugen toch moet prikkelen, zou je denken. Verder hoeft er niks geprikkeld te worden. Zoals Scherder, de hersenprof, over Alzheimer praat, Freek Vonk over de slang die hem wurgt, praat zij over tegels, over voegen en mozaïeken. In aanbouw is een showroom, waardoor ze ons alle vijf de vorige keren een rondleiding heeft gegeven. Een toer langs talloze wc-achtige edoch potloze hokjes, betegeld uiteraard, weet Eric van der Burg dit, heb ik haar gevraagd, tuurlijk, zei ze, en waarover ze iedere keer precies even begeesterd spreekt.
Als we – voorlopig – onverrichterzake de terugqueeste aanvangen, prepareert ze een fraai kartonnen doosje waarin ze een stuk of tien gratis sample-tegels stopt, foldertje erbij, papiertje erom, kunnen we thuis de verschillende mogelijkheden op ons gemakje uittesten, want met ‘tegels, dat is nu eenmaal zo, moet niet overhaast worden beslist.’
We hebben er inmiddels zes keer tien is zestig sample-tegels, daar kun je al een aardig, wild, hippie-achtig wandje mee betegelen. Nog twee, hooguit drie queestes en we zijn sowieso klaar.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns