‘Wat moet ik nu doen?’, vraagt meneer Ramjiawan (88).
‘Ga maar op de wc zitten, alstublieft’, zeg ik. We staan in de badkamer en ik heb hem geïnstrueerd om met zijn rollator achteruit in te parkeren voor de toiletpot.
‘Zitten? Jij wilt dat ik een zittende positie aanneem?’ Meneer Ramjiawan praat altijd met verheven stem en een beetje ambtelijk. Hij gaat zitten.
‘Heel goed. Probeer nu maar te poepen.’
‘Poepen?’, brult hij. ‘Moet ik gaan poepen?’
‘Graag.’
‘Maar ik hoef helemaal niet.’
‘Probeer het toch maar even, ja? Wie weet komt er wat, en dan bent u dat maar kwijt.’
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een paar minuten later steek ik mijn hoofd om de deur. Meneer Ramjiawan zit niet te poepen; hij zit te friemelen aan de rits van zijn vest.
‘Bent u klaar?’
Hij kijkt op. ‘Jij verwacht binnen onredelijke termijn resultaat van mij’, zegt hij.
Meneer Ramjiawan woont op een afdeling voor mensen met dementie. Ik moet hem precies vertellen wat hij moet doen, want dat kan hij zelf niet meer bedenken. Als ik hem niet regelmatig op de wc zet, doet hij het in zijn broek. ‘Maar heeft u het al geprobeerd? Zou u zich even willen concentreren op het poepen, alstublieft?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Wat jij wilt.’ Hij ademt diep in en begint te drukken. Meteen klinkt er een hels kabaal. Het is diarree. ‘Zo!’, roept hij, wanneer de laatste echo in de pot is weggestorven. Dan kijkt hij op en ziet mijn gezicht. Ik kijk moeilijk. ‘Wat is er?’, vraagt hij. ‘Is het je niet naar de zin?’
Het verpleeghuis wordt geteisterd door het norovirus, oftewel: buikgriep. En nu is meneer Ramjiawan dus aan de beurt. Later op de middag begint hij over te geven en doet hij het alsnog in zijn broek. Hoe vaak je iemand ook op de wc zet: tijdens een norovirusinfectie is het nooit genoeg.
De maatregelen tegen het norovirus zijn bijna hetzelfde als die tegen het coronavirus tijdens de pandemie: de besmette bewoners zitten in quarantaine op hun kamer en wij dragen een mondkapje, handschoenen en een plastic pak als we binnenkomen.
Het norovirus is minder gevaarlijk dan het coronavirus – ik heb er tenminste nog nooit een bewoner aan zien bezwijken – maar wel superbesmettelijk, en als je er ziek van bent, kun je echt niet werken. Toen ik mijn collega aan de telefoon had die zich ziek wilde melden, hing ze halverwege het gesprek op om naar de wc te rennen.
Net als tijdens de coronacrisis word ik door deze omstandigheden enorm geconfronteerd met de kwetsbaarheid van de sector. We balanceren continu op het randje van wat haalbaar is. Onder normale omstandigheden heb ik precies genoeg tijd om het aantal bewoners te verzorgen waar ik tijdens mijn dienst verantwoordelijk voor ben. Er kan eigenlijk niets geks gebeuren, daar is geen ruimte voor.
‘Ik vond dit niet zo’n leuke dienst’, zeg ik tegen mijn collega, als het er bijna op zit.
‘Het kan ook niet altijd leuk zijn, Thomas’, zegt zij, maar dat is niet helemaal wat ik bedoel.
Gelukkig vindt meneer Ramjiawan het niet erg om op zijn kamer te blijven – hij zit graag muziek te luisteren of te dutten in zijn stoel – maar mevrouw Hesselink (83) moet er niet aan denken. Ze vertelt dat ze vanmorgen een beetje diarree had en van de verpleegkundige in quarantaine moest.
‘Maar ik ken mezelf’, zegt ze. ‘Ik heb daar ’s ochtends wel vaker last van. Het betekent niets. Na mijn ontbijt poep ik weer normaal.’ Dus was ze gewoon naar de eetzaal gegaan. Halverwege haar ontbijt stonden er opeens drie verzorgers rond haar tafeltje.
‘Ik moest naar mijn kamer, zeiden ze. Nou, ik zal jullie straks wel wat laten zien, zei ik, en nog geen uur later had ik gepoept. Ik heb meteen op de alarmbel gedrukt. Ik zei: kom maar kijken en neem de dokter ook maar mee. Nou, toen stonden ze hier in de badkamer, rond mijn wc. Ik opende het deksel en daar lag het bewijs.’ Ze kijkt me triomfantelijk aan en giechelt. ‘Nog nooit zo blij geweest met een keutel.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns