‘Ben je zenuwachtig voor je optreden?’, vraagt mijn jongste dochter aan haar zus. Het is vroeg in de ochtend en ze zitten met hun slaaphoofden aan de keukentafel. De oudste kijkt verschrikt op. ‘Oh ja’, zegt ze, ‘mijn optreden. Godver.’
Al weken gaat het thuis over het schooltoneel, dat als thema ‘rondje Nederland’ heeft en gepland staat op het goddeloze tijdstip van 2 uur in de middag op een donderdag. Ze vlucht naar boven om haar mooiste kleren aan te doen.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Die middag loop ik samen met een stoet andere ouders het zaaltje binnen dat dienstdoet als gymzaal en aula. Op de grond liggen een paar dikke gymmatten waar de broertjes en zusjes mogen zitten. Daarachter staat een aantal rijen met stoelen en bankjes, waar ik een plekje zoek.
De juf vertelt ons wat we gaan zien. Het idee is dat twee Amerikaanse toeristen, gespeeld door klasgenootjes van mijn dochter, Nederland bezoeken. Ze komen voor de klompen, de tulpen en de kaas (en waarschijnlijk ook de coffeeshops en de prostitutie, maar dat wordt gemakshalve even achterwege gelaten in deze introductie), maar een gids laat ze zien dat Nederland zoveel meer is dan dat.
Mijn dochter speelt een suppoost in het Rijksmuseum die wat vertelt over De Nachtwacht. Ze komt op en zegt haar tekst , met grote geconcentreerde ogen en gehuld in een nevel zenuwen. Ze houdt haar handen voor haar buik en friemelt met haar vingers. Ik film alles, zodat mijn vrouw dit straks kan terugkijken en dan waarschijnlijk net als ik iets zal voelen prikken in haar ogen. Als ze klaar is gaat mijn dochter weer zitten. Het verdere verloop van de voorstelling interesseert me – met alle respect voor het Hollands schoon en de podiumkunsten en kinderen – geen hol.
Ik kijk naar mijn dochter, die in de spreekwoordelijke coulissen zit tussen haar klasgenootjes. Ze knipoogt en stuurt een luchtkus. Niet naar mij, maar naar haar zusje die schuin voor haar zit. Daarna kijkt ze naar de voorstelling en lacht en fluistert af en toe iets in het oor van een meisje dat naast haar zit. Ik zie dat ze een eigen leven heeft, onafhankelijk van mij. Een leven dat ze zelf in een korte tijd heeft opgebouwd, nadat wij zonodig moesten verhuizen, we haar wegplukten bij haar school en haar vriendinnen, om haar vervolgens te dumpen op een nieuwe, onbekende plek met nieuwe, onbekende kinderen.
De voorstelling duurt nog geen kwartier en na afloop ga ik staan en klap mijn handen stuk. Mijn dochter rent op me af, slaat haar armen stevig om me heen, klemt haar benen om mijn middel en legt haar hoofd in mijn nek. Zo staan we even een tijdje. ‘Ik ben zo trots op je’, zeg ik. Dat zeg ik vaker. Maar nu is het toch weer anders.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns