Home

Mijn trainers benaderen zaktraining als een voorbereiding op een echt gevecht

‘Laat ’m bloed pissen!’ De stem is hard, diep en onverbiddelijk. Mijn handen zijn gebald tot vuisten en om die vuisten zitten bokshandschoenen. Het zweet staat op mijn slapen, een grimas op mijn gezicht. Zijn nieren – ik weet vrij zeker dat het de bedoeling is dat ik zijn nieren raak. Nieren schade, bloed pissen, dat lijkt me een vanzelfsprekende oorzaak-gevolgverdeling.

Ik knijp in mijn linkervuist en geef zo hard ik kan een lage linkse opstoot op de plek waarvan ik vermoed dat er de nieren van mijn tegenstander zitten. Als mijn vuist landt, klinkt er een plof. Mijn tegenstander geeft geen krimp. Dat komt vooral omdat het een grote zak is die aan het plafond hangt (een letterlijke zak, niet een figuurlijke).

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Mijn trainer kijkt tevreden toe hoe ik de zak te grazen neem – of, zoals hij het noemt, ‘sloop’. Bijna acht jaar doe ik nu aan zaktraining, waarbij ik een uur lang trap-en-stootcombinaties op een bokszak uitvoer, gelardeerd met marteloefeningen zoals burpees en kikkersprongen. Dat is zwaar, maar na elke training voel ik me beter dan ervoor. Ik koester verder weinig fantasieën over mensen in elkaar slaan, laat staan ze iets uit te laten plassen wat eigenlijk niet uitgeplast dient te worden. Voor mij is het gewoon een uurtje rammen op een zak en daarna lekker douchen.

Echter, de meeste trainers waarbij ik deze lessen volg benaderen zaktraining als een voorbereiding op een echt gevecht. Daar valt wat voor te zeggen, want het oorspronkelijke idee van (kick)boksen is natuurlijk dat je een menselijke tegenstander treft die tegen de grond moet. Zo moest ik afgelopen week een vliegende knie geven, waarbij ik eerst opsprong, daarna mijn rechterknie in een schijnbeweging optrok, om vervolgens met mijn linkerbeen een echt knietje te geven. Want: ‘dat verwacht hij niet’.

Een andere trainer sommeerde me onlangs mijn dekking hoog te houden, ook tijdens het trappen. Want als mijn (non-existente) tegenstander doorhad dat ik bij elke trap mijn dekking even liet zakken, zou die me uiteindelijk een rechtse hoek op de zijkant van mijn hoofd geven. ‘En dan ga je slapen.’

Ik wil niet slapen, ik wil het gewoon een beetje naar mijn zin hebben. En ondertussen het liefst ook het soort situaties in het leven mijden waarbij ik mijn dekking hoog moet houden (het beste verweer, zou Deëscalatieman zeggen, is een fijn gesprek). Maar ik ben nu eenmaal verslingerd aan deze sport.

Dus ik houd mijn dekking hoog, ontwijk een klap die niet komt, blok een trap die niet gegeven wordt, dans om een tegenstander heen die er niet is en geef hem vervolgens zo’n harde stoot in zijn zij, dat hij straks misschien toch even langs de uroloog moet.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next