‘Wat moet dit voorstellen?’, vraag ik aan meneer De Jong (86).
De oplader van zijn telefoon zit in het stopcontact en het andere eind van het snoertje bungelt in een glas water. Meneer De Jong weet niet meer waarom hij dat zo heeft neergezet. Hij zit op de rand van zijn bed. Ik ga hem helpen met wassen en aankleden.
‘Wassen en aankleden? Ho, ho, dat gaat zomaar niet. Heb jij dat overlegd met je meerdere?’
Om meneer De Jong zover te krijgen dat hij naar de badkamer schuifelt, moet ik praten als Brugman. Dat gaat altijd zo. Zijn hele leven heeft hij al last van dwangmatige trekken, maar met het ouder worden zijn die een stuk erger geworden. Hij is vreselijk bang dat er iets misgaat, daarom vraagt hij telkens om uitleg en bevestiging.
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Dus nu is het een kwestie van…’, zegt hij aarzelend, en hij kijkt met een onzekere blik naar beneden, naar de broek die op zijn knieën hangt.
‘Uw broek ophijsen.’
‘Zo?’
‘Ja, zo.’
Wanneer we klaar zijn, breng ik meneer De Jong naar de ontbijtzaal en help hem aan tafel. Ik blijf even staan achter zijn stoel en kijk door het raam naar buiten, naar de tuin. Dat met die oplader zit me niet lekker. Meneer De Jong heeft zijn eigenaardigheden, maar zoiets raars doet hij normaal gesproken niet. Buiten schijnt de zon; tussen de bomen door valt het zonlicht in lange banen over het grasveld. Ik richt mijn blik weer op meneer De Jong. Hij heeft een servet op zijn bord gelegd en smeert er jam op.
Meneer De Jong heeft een delier. Je bent dan plotseling heel erg in de war. Je kunt niet meer logisch nadenken, gedesoriënteerd raken en je stemming kan zomaar omslaan. Het komt vooral voor bij ouderen die ziek zijn of een operatie hebben ondergaan. Bij meneer De Jong is het, zo zal later blijken, een blaasontsteking.
Tijdens de coronacrisis waren er een heleboel bewoners tegelijk ziek. Tijdens mijn nachtdienst trof ik eens een coronapatiënt in haar nachtjapon in de lift. Op het bedieningspaneel zat ze alle verdiepingen in te drukken. Vanuit haar rolstoel keek ze op naar mij en zei: ‘Ik heb op alle knoppen gedrukt, maar er komt geen eten uit.’
Meestal heb je zelf niet door dat je een delier hebt, maar meneer De Jong heeft wel gemerkt dat er iets niet deugt. Hij brengt zijn hand naar zijn hoofd en tikt met zijn vingertoppen op zijn kale schedel. ‘Er zit iets niet goed, hier.’
Ik hoop dat de antibioticakuur gauw aanslaat. Tot die tijd moet ik proberen om meneer De Jong de aandacht te geven die hij nu nodig heeft, en dat is niet altijd makkelijk.
Wanneer mevrouw Haanstra (84) op de alarmbel heeft gedrukt, omdat ze is uitgegleden in de badkamer en ik bij haar ben om de schade op te nemen en haar overeind te helpen, drukt meneer De Jong voor de honderdduizendste keer op de alarmbel.
‘Kom jij even hier? Ik wil weten wat ik nu moet.’
‘Over twintig minuten ben ik bij u.’
‘Wat heb ik daar nou aan? Ik wil dat je nú komt.’
‘Ik kan nu echt even niet komen. Dit is een noodgeval. Straks, over twintig minuten, ben ik bij u.’
‘Wat moet ik nu dan doen?’
‘Blijven zitten en op mij wachten.’
Hij blijft op de alarmbel drukken. De portofoon rinkelt in de zak van mijn uniformjasje terwijl ik mevrouw Haanstra overeind help. Ding, dong. Ding, dong. Ding, dong.
‘Sorry, sorry, sorry’, huilt mevrouw Haanstra. ‘Jij hebt het hartstikke druk.’
Bij de lunch krijgt meneer De Jong een kom soep voorgeschoteld. ‘Wat nu?’, vraagt hij. ‘Wat is nu de bedoeling?’
‘Lekker opeten’, zegt mevrouw Geeris (98), die tegenover hem zit.
Dat is voor meneer De Jong te abstract, maar hij heeft geluk: hij zit naast meneer Van den Boomgaard (85). In zijn werkende leven was meneer Van den Boomgaard onderwijzer.
‘Pak je lepel’, zegt hij, ‘en neem een schep van de soep. Heel goed. Til je lepel op en stop hem in je mond.’
Mevrouw Geeris zit het tafereel met een meewarige blik te bekijken.
‘Oude mannen’, zegt meneer Van den Boomgaard tegen haar, en hij glimlacht verontschuldigend.
Source: Volkskrant columns