Home

De medewerker die me eindelijk mijn visum voor Mexico overhandigt, gunt me zowaar een glimlach

Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Joost de Vries krijgt eindelijk een permanent visum voor Mexico, of althans, als hij de lokale bureaucratie weet te trotseren.

In de afgelopen vier jaar heb ik het langgerekte gebouw van de Mexicaanse migratiedienst goed leren kennen. De dienst is gevestigd in de chique wijk Polanco in het noorden van Mexico-Stad, een buurt die enkel is weggelegd voor de meest bevoorrechte Mexicanen.

Voor de meeste mensen in de lange rijen in en rond het glazen kantoor – Guatemalteken, Venezolanen, Colombianen, Haïtianen – staat Polanco enkel voor hun stroperige migratieproces. Ze geven hun schaarse peso’s niet uit in de Starbucks om de hoek, laat staan in het fonkelende Palacio de Hierro een blokje verderop, een van Mexico’s meest luxueuze winkelparadijzen.

Begin deze maand doorliep ik mijn derde en laatste Mexicaanse visumtraject. Na een eerste verblijfsvergunning van een jaar en vervolgens een tijdelijke status van drie jaar kwam ik nu in aanmerking voor een permanent visum. Ik wil waken voor de eurocentrische valkuil. Laat ik vooropstellen dat het proces eigenlijk vrij vlot verliep, ongetwijfeld vlotter dan menige migratieprocedure in Nederland. Toch nodig ik u graag uit me even te vergezellen naar het Instituto Nacional de Migración.

Bezoek één. Het INM (of simpelweg ‘Migración’) doet niet aan lichtkranten met nummertjes, noch aan printers. De migrant moet zelf zijn documenten (het liefst in veelvoud) uitprinten bij een stalletje voor de deur en op elk formulier exact dezelfde handtekening zetten. Het gaat zelden in één keer goed. Bij het eerste bezoek krijg ik te horen dat ik toch nog een formulier mis.

Poging twee. Wanneer ik het pakket compleet heb, kan ik terecht op de binnenplaats, bij een bruine partytent waar een medewerker een nummertje op mijn papieren krabbelt. Dus toch een nummertje. Kom vanmiddag maar terug, klinkt het dan.

Poging drie. In de namiddag moet ik in de mensenmassa voor het gebouw zelf zoeken naar mijn plek in de rij. Die leidt na enkele uren van buiten naar binnen naar een balie waar een medewerker mijn naam invult op de computer. ‘Morgen 10.00 uur.’

Televisieschermen in het gebouw herhalen oneindig een promotiefilmpje over het werk van de ‘Beta-groepen’ die namens de migratiedienst ‘reddingsoperaties’ uitvoeren. In de video klimmen jongens en meisjes in beige uniformen over rotsen in een woestijnachtig landschap. Het ziet er heldhaftig uit.

Ik ken het INM ook van mijn reportages over de honderdduizenden migranten die via Mexico de Verenigde Staten proberen te bereiken. Zo herinner ik me een groepje migranten, verslagen zittend naast het spoor. Ze waren door de militaire politie en het INM van een goederentrein gehaald. Na hun ‘redding’ werden ze afgevoerd naar een detentiecentrum en het land uitgezet of vervoerd naar het uiterste zuiden van Mexico. Terug bij af. Vorig jaar redde de migratiedienst 230 duizend migranten.

Poging vier. De volgende ochtend voeg ik me opnieuw bij de mensenmassa, vriendelijk knik ik naar de wachtenden, waartussen ik me gisteren ook al urenlang bevond. Dit keer kocht ik bij een bakfiets een kop aanlengkoffie en een zoet broodje. Vandaag geen hongerklop. Weer slingert de rij naar binnen waar ik plaatsneem op metalen bankjes en om de paar minuten een plek opschuif. Telefoons zijn in het gebouw verboden, maar vandaag heb ik een boek meegenomen. Zonlicht valt naar binnen door de bruine pui, ik doezel. Totdat een medewerker uiteindelijk met een strak gezicht ‘volgende’ roept en blijkt dat ik dat ben.

Het kost me vier bezoeken aan Polanco (en urenlange ritten in het dichtgeslibde verkeer van Mexico-Stad) om door te dringen tot die magische tweede verdieping waar de visa worden verstrekt. De medewerker die me uiteindelijk mijn permanente pas overhandigt, gunt me zowaar een glimlach. Opgetogen loop ik de zon in.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next