Op een koude nacht in het begin van de jaren vijftig is mijn opa Pé in het kanaal geraakt en verdronken, vlakbij huis. Het is nooit helemaal duidelijk geworden hoe het kon gebeuren. Hij heeft nog geroepen, maar hulp kwam te laat. Buren hebben hem uit het water gehaald en op een ladder naar huis gedragen.
Zijn hele leven heeft mijn vader minstens een of twee keer per maand gezegd, liefst als er visite was: ‘Frappant hè, dat ik geen enkele herinnering aan mijn vader heb. Ik weet helemaal niks meer. Dat is toch frappant?’
Laatst zag ik Gerard Reve in een oud televisiefragment op YouTube zachtjes huilen om wat hij zijn ouders in zijn jonge jaren allemaal had aangedaan. Zelf geef ik niet graag toe dat ik als puber weleens heb gezegd: echt, serieus? Niet te geloven – zeg het nog eens honderd keer, want dit is echt het allerfrappantste wat ik ooit heb gehoord.
Over de auteur
Peter Middendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant. Van zijn hand verschenen onder meer de romans Vertrouwd voordelig en Jij bent van mij. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Later, bijna 30, heb ik eens geprobeerd om alles op te zoeken wat er over zijn vader te vinden was. Ik zocht in archieven en oude politierapporten, dook in de familie en bezocht betrokkenen in verzorgingstehuizen. Voor de werking van mijn vaders frappante geheugen stak ik mijn licht op bij professor Douwe Draaisma en daarna stopte ik alle feiten en bevindingen in een grote enveloppe.
Ik was nooit een goede zoon geweest, en later ook niet iedere dag, dus het was een beetje atypisch, maar evengoed sympathiek gebaar: zo probeerde ik hem iets van zijn herinneringen terug te geven.
Mijn vader heeft er nooit iets van gelezen, ik geloof niet dat de enveloppe één keer open is geweest. Wel hoorde ik hem een week of twee later al in gezelschap zeggen, waar ik bij was, zelfs half tegen mij: frappant hè, dat ik geen enkele herinnering meer aan mijn vader heb. Ik weet helemaal niks meer. Dat is toch frappant?
Toen vond ik dat geweldig irritant. Uit schaamte over het ongeluk en de gevolgen hadden ze net zo lang over Pé gezwegen tot niemand zich meer iets van die man kon herinneren. Maar mijn vader was niet geïnteresseerd in antwoorden op zijn vragen, alleen maar in de aandacht die hij kon krijgen, die altijd warm was, want iedereen voelde altijd weer mee met mijn arme vader, die als 9-jarig jongetje zijn vader op zijn rug in de gang zag liggen, nat, met ontbloot bovenlijf, en van schrik zijn geheugen verloor.
Intussen, zes jaar na zijn dood, denk ik: misschien bedoelde hij wel iets anders. Bijvoorbeeld: ‘Wat jammer dat ik geen vader heb gehad.’ Ik vraag ik me af hoe zijn leven eruit had gezien, of alleen onze relatie, als hij had gezegd wat hij bedoelde. Of als ik het gewoon had begrepen. Zo moeilijk was het ook weer niet. Achteraf ligt het zelfs erg voor de hand.
Eerst moet er iemand dood voordat je een jota van hem gaat begrijpen. Waar slaat dat op, wat heeft dat voor nut, in welke zin is de mens hierbij gebaat?
Je ziet het pas als je het doorhebt, zei Cruijff, en dat is goed gezegd, maar het gebeurt meestal te laat, als je er niets meer aan hebt.
Source: Volkskrant columns