Home

Wij vertonen grensoverschrijdende nalatigheid

Onze bankier zit op ons te wachten. We weten niet of het wachten-wachten is, of gewoon wachten. In het eerste geval, het verhevigde wachten, wacht hij op ons voordat hij zelf in actie komt. In dat geval zitten wij, zonder het te weten, ook op onze bankier te wachten.

‘Bankier?’

‘Bankemployé dan.’

Laten we hem Vlorp noemen, een fictieve naam. (Hij kan er namelijk niks aan doen. Het is een brave borst.)

Vlorp was hier begin december, voor een ‘showroom aan huis’. Vonden we een aantrekkelijk concept. In plaats van ons naar een meubelboulevard te begeven, en daar tussen 78 bankstellen, terwijl het buiten begint te stortregenen, een regeerakkoord te smeden, wat een onmogelijkheid is, hoefden we op Vlorps website alleen maar een bankstel aan te wijzen. Met dit bankstel zou hij komen voorrijden. (Schitterend woord, voorrijden, er straalt luxe vanaf, gemak. Het nauwverwante ‘voorrijkosten’ is juist een erg lelijk woord.)

Vlorp bleek een jongeman van een jaar of 23. Bij zich had hij een zeker tien jaar jongere assistente. Geroutineerd toverden de kinderen onze woonkamer om tot een ware showroom. Te kiezen viel er niets, het was ja of nee.

Ja, spraken wij met één mond. Wij mochten elkaar nu zoenen, sprak Vlorp. Zijn assistente klapte in haar handjes.

Na de plechtigheid ging het mis. Op tafel lag de bundel met stofstalen. Een bank heeft ook een velletje, natuurlijk. Samen met de kids bladerden we erin, voelend, dubbend, moeilijk, moeilijk. ‘Mogen we de bundel nog even hier houden?’, vroeg ik.

‘Eigenlijk niet’, zei Vlorp.

‘Dat is aardig’, zei ik. Mijn vriendin Jet roemde de service. Vlorp knikte gestreeld, maar voor de zekerheid ging hij even zijn chef bellen. Een lang gesprek volgde, waarin hij heel precies moest uitleggen om welke bundel het ging. ‘Zo te horen’, brulde mijn vriendin Jet tegen de vinger in Vlorps oor, ‘heeft je chef nog een heleboel andere stalen.’

‘Zeggen jullie anders’, bestookte ik de assistente, ‘dat wij de bundel voor het weekend op de post doen.’ Stelletje gaslighters, twee van die koters op slechte plannen brengen, bah.

Nou, wit licht hoor, groene rook. Als we de stalenbundel maar zo spoedig mogelijk op de post deden. Dit, garandeerden wij, kwam voor de bakker.

Maar ja, welke bakker? Vertelde ons verhaal niet. En wat is zo spoedig mogelijk? (De bundel vereiste, om eens iets te noemen, een flinke kartonnen doos, die wij helaas niet bezaten.)

Een maand later werden wij op Vlorps burelen verwacht, ter meubelboulevard dus, om de order officieel te bezegelen. ‘Svp’, mailde hij, ‘dan de stalenbundel meebrengen.’

Zo coulant, Vlorp. Ons vertrouwen in de jeugd nam ervan toe. ‘Reken maar van yes’, antwoordde ik.

Het werd no, vrienden. Helaas lieten we de bundel thuis liggen. Helemaal vergeten. De assistente bloosde ervan, toen ze het hoorde. Vlorp niet, die overhandigde ons zonder een spier te vertrekken een kartonnen doosje en, los erbij, een voorgedrukt etiket. ‘Dat is aardig’, zei ik. Mijn vriendin Jet roemde de service.

‘Past er nooit in’, mompelde ik op de terugweg. ‘Nooit’, beaamde mijn vriendin Jet.

Gisteren pas, misschien omdat we al weken niks van ons bankstel horen, namen we de proef op de som. Als gegoten. Vintage Vlorp natuurlijk. Haha. Helaas zijn we intussen het etiket kwijtgeraakt.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next