Home

De lente, was de stilzwijgende conclusie, is dus nog heel ver weg

We fietsten langs een kleine weide waar zelden wat te beleven valt, maar vandaag was alles anders. Vlak bij het hek stonden drie lammetjes die zo schattig waren dat ik bijna moest kotsen. Terwijl ik de fiets op de standaard zette, renden mijn dochters naar het hek, waar ze met hoge stemmetjes probeerden de aandacht te krijgen van de lammetjes, die in al hun pluizigheid stonden te grazen. De lammetjes, hun oogjes half dicht en hun buitenproportioneel grote flaporen hangend langs hun kopjes, gaven geen sjoege. Alsof ze in hun korte leven al zo vaak en uitvoerig bewonderd waren dat ze niet meer opkeken van deze vleierij.

Hun moeder daarentegen had wel goesting in de blaadjes en takjes die mijn oudste dochter door het hek heen stak en liet zich dankbaar voeren. Op de stoep aan de overkant van de weg liep een blonde vrouw. Toen ze mijn dochters en de lammetjes zag, stak ze over. Ze hield even stil bij mijn oudste dochter, glimlachte vertederd en liep verder. Toen ze langs me kwam, keek ze me aan met een sprankelende blik. ‘Ach gos, lammetjes. Nu al. En ik had al krokussen gezien en sneeuwklokjes.’

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

‘Jaja’, zei ik, ‘de lente is begonnen’, waarna ik mezelf onmiddellijk moest corrigeren omdat februari net een paar dagen oud is en er een belangrijk verschil is tussen optimisme en waan. ‘Nou ja’, herstelde ik, ‘nog een maandje eigenlijk. Maart.’ De vrouw glimlachte nog steeds, maar haar ogen betrokken iets. ‘Nou’, zei ze, ‘eigenlijk april.’ Ja, oké, maar dan eigenlijk ook niet echt april toch? Laten we wel wezen. Eerder mei. De lente, was de stilzwijgende conclusie, is dus nog heel ver weg. Zo ging ons gesprek in een paar zinnen van een smetteloze hemel naar een grauw wolkendek. ‘Maar’, zei ze, voordat ze weer verder liep, ‘deze dag pakken ze ons niet meer af.’ Ja nee, nou hoeft het niet meer.

Op de terugweg fietsten we weer langs de weide. Nu lagen de drie lammetjes naast elkaar te dutten. Weer gingen mijn dochters tegen het hek aan staan en nu probeerde de jongste ze te lokken door te mekkeren: ‘mehehe’. De lammetjes keken niet op of om. Maar vanuit de verte, waar in een aangrenzend weiland blijkbaar een geit stond, klonk het antwoord: ‘mèh’. ‘Mehehe’, deed mijn dochter weer. ‘Mehehe’, deed de geit. Zo ging het even door. Toen kwam er een oudere vrouw langsfietsen. Ze ging heel langzaam, zat vrij laag op haar fiets en droeg een grote helm. ‘Mehehe’, deed mijn dochter. ‘Mèh’, meende ik vanaf de fiets te horen. ‘Mehehe’, deed mijn dochter. De vrouw fietste rustig door. ‘Mèh’, klonk het weer vanaf de fiets. En nog eens. Dus toch, lente.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next