Home

We hadden nog niet samen een moord gepleegd maar we sloten niets uit, dat vond ik al te burgerlijk

Van tijd tot tijd blader ik door de filmkritieken van Pauline Kael (die van 1968 tot 1991 voor The New Yorker schreef, red.), er zit aanstekelijke levenslust in haar recensies. Kael zei dat je geen kip hoeft te zijn om over de kwaliteit van het ei te kunnen spreken. De omeletliefhebber vindt troost in zo’n uitspraak.

Haar oordelen zijn soms hard en niet altijd terecht. Full Metal Jacket van Kubrick vond ze niets, veel van Kubrick kon haar niet bekoren. Kael zelf is trouwens gerecenseerd door Renata Adler, die recensie was niet mals, toch is Kael voor mij niet kapot te krijgen, al begrijp ik wat mensen tegen haar hebben.

Haar laatste zin over Fatal Attraction uit 1987 is tamelijk geniaal: ‘The family that kills together stays together.’

We hadden nog niet samen een moord gepleegd maar we sloten niets uit, dat vond ik al te burgerlijk, en op de vlucht voor de grote stad zochten we ons heil in het plaatsje Tarrytown, een uur met de trein vanaf New York.

Hier had men een kasteel nagebouwd in de stijl van de Middeleeuwen en er een hotel in gevestigd. In januari was het kasteel niet erg populair. De kamers werden amper schoongemaakt, onder het bed trof ik een plastic beker aan, een rietje, een stuk hamburger en twee lucifers, maar goed, ik kende de belangrijkste les van de horeca: het gaat er niet om dat het schoon is, het gaat erom dat het er schoon uitziet. Daarna kan de moord beginnen. En nooit onder het bed kijken.

Ik droomde tamelijk overtuigend dat ik dakloos was.

In de ontbijtzaal concludeerden wij dat de andere ontbijtende gasten personeelsleden van het hotel moesten zijn die de opdracht hadden gekregen de leegte te camoufleren.

Beneden ons zagen wij de Hudsonbaai liggen.

Ik zei: ‘Laten we de bossen ingaan. Ergens moet de misdaad beginnen.’

Source: Volkskrant columns

Previous

Next