Het komt niet vaak voor: een motie waar alle 150 leden van de Tweede Kamer zich achter scharen. Kamerleden Jan Paternotte (D66) en Chris Stoffer (SGP) kregen het voor elkaar. Hun motie van 18 januari ging over de beroerde leesvaardigheid van Nederlandse kinderen, de steile achteruitgang die bleek uit het internationale Pisa-onderzoek en het alarmerende feit dat eenderde van onze 15-jarigen functioneel ongeletterd is.
Het lek was boven, dat was de indieners goed ingefluisterd: het vermaledijde vak begrijpend lezen, dat losstaat van de kennisvakken en niet leidt tot diepgaand begrip. Zij verzochten de regering ‘de focus van het leesonderwijs te verleggen door scholen nadrukkelijk in staat te stellen bewezen effectief leesonderwijs te geven met kennisrijke teksten’.
Mooi zo! Wie kan hier nu eigenlijk tegen zijn? Het is ook wel het ei van Columbus hè, dat lezen ergens over moet gaan en leesvaardigheid niet het beheersen van trucjes is. Paternotte verzocht demissionair onderwijsminister Mariëlle Paul om vóór het lerarendebat op 28 februari te melden hoe zij gaat doen wat de Kamer vraagt. Want hij weet dat haar antwoord de woorden ‘lange adem’ en ‘curriculumherziening’ zal bevatten. Maar er moet nú iets gebeuren.
Het onderwijsblad Didactief vroeg vorige week aan deskundigen of het niet tijd wordt voor een ‘Onderwijszaak tegen de overheid’, à la Urgenda. Volgens de grondwet is het onderwijs ‘voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering’. De overheid verwaarloost dus haar taak – verwaarloost kinderen. Terechte vraag, meenden de experts, maar zo’n aanklacht helpt kinderen niet meteen. Dat denk ik ook, al zou het een mooie stunt zijn en worden ze op het ministerie wellicht wakker van zo’n koude emmer.
Over de auteur
Aleid Truijens is schrijver en recensent en columnist voor de Volkskrant. Ze schreef romans en biografieën over F.B. Hotz en Hella Haase. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Er is een noodmaatregel die wel meteen kan worden ingevoerd: schaf het huidige toetsonderdeel begrijpend lezen af in de ‘doorstroomtoets’ en de leerlingvolgsystemen (en in de centrale examens in het voortgezet onderwijs, daarover een andere keer). In het Didactief-artikel pleit Gerdineke van Silfhout, curriculumexpert bij de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), voor betere toetsen. Toetsen zijn, vindt ze, een zwak punt in het ‘spinnenweb’ van het leren: trek te hard aan die ene draad en het web stort in. Ze is voorstander van ‘centrale toetsing afgestemd op curriculum en onderwijs dóór de overheid’.
Voortreffelijk idee, maar waarom heeft Van Silfhout of haar SLO dat de overheid, waarmee ze al tijden samenwerkt, niet eerder ingepeperd? Waarom werkten SLO en toetsenmakers nooit samen?
Van Silfhout legt goed uit wat er aan de huidige Nederlandse toetsen mankeert en waarom leerlingen die heel behoorlijk scoren op Cito-toetsen het vaak slechter doen op toetsen van Pisa- en PIRLS (onder 10-jarigen). Deze internationale toetsen beoordelen wél het begrip van langere teksten en de vaardigheid in analyseren en reflecteren, ook wel ‘diep lezen’ genoemd. Niet eerlijk, jammeren critici, dat verschil. Onzin, want écht begrijpen wat je leest en dat kunnen toepassen is het doel.
Misschien is het gek om aan het eind van de keten, het toetsen, te beginnen, maar als noodmaatregel wel effectief. Deze toetsen zijn een van de boosdoeners, omdat leraren (en bijlesbureaus) leerlingen ervoor klaarstomen. Ze zijn geënt op een methode die aantoonbaar niet werkt en die bij kinderen een afkeer van lezen kweekt. Oefenen op deze toetsen staat goed leesonderwijs in de weg.
Je moet toetsen of kinderen geleerd hebben wat je ze wilde leren, niet wat de toetsenmaker goed kan meten. Nu bepaalt een commercieel bedrijf als het Cito grotendeels wat kinderen leren en sturen we kinderen met schijnresultaten het bos in. Dat moet direct stoppen; de minister moet haar verantwoordelijkheid nemen.
Source: Volkskrant columns