Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Zou dit het soort linkse hobby zijn waarmee het kabinet Wilders I straks schuimbekkend afrekent? Een theatertetralogie met de titel Faecaliëndrama’s, over poep, bestialiteit en kannibalisme: wie zit er te wachten op dat soort perversiteiten? En waarom moet daar overheidsgeld naartoe?
Ik moest denken aan de Faecaliëndrama’s (Werner Schwab, 1991) toen ik onlangs in Trouw een stuk las over cultuursubsidies. Deskundigen als Arjo Klamer, hoogleraar culturele economie, leggen daarin helder het belang van subsidie uit. Maar zoals vaker bij het verdedigen van cultuursubsidie worden een paar cruciale aspecten vergeten.
Terecht wordt gehamerd op bereikbaarheid en betaalbaarheid – dankzij subsidie wordt cultuur juist géén elitespeeltje, want overheidsgeld houdt de kaartjes betaalbaar. Maar dan zegt Klamer iets opmerkelijks. Subsidie leidt weliswaar tot ‘avontuurlijk theater’, maar de zalen zitten niet altijd vol. ‘Binnen het subsidiesysteem komt een bepaald theater bovendrijven’, aldus Klamer. ‘Dat is niet per se wat het publiek interessant vindt.’ Subsidie mag wel wat ‘wederkeriger’ vindt hij: ‘Het collectief subsidieert jou, en wat doe je met jouw werk voor het collectief?’
Het probleem is dat in de kunst die wederkerigheid zich moeilijk laat meten. Een investering betaalt zich soms pas veel later, op onverwachte wijze uit. Je stopt geld in een bizarre poeptheatermarathon (in de jaren negentig opgevoerd door theatergezelschap De Trust), en twintig jaar later krijg je er Soldaat Van Oranje voor terug. De langstlopende Nederlandse musical is inmiddels door ruim 3,5 miljoen Nederlanders gezien, onder wie vast ook PVV-stemmers. En die was nooit zo succesvol geweest als regisseur Theu Boermans – die met de Faecaliëndrama’s furore maakte en met Soldaat van Oranje geschiedenis schreef – niet decennialang in het gesubsidieerd theater had gewerkt.
Musical, een populaire kunstvorm die een Wilders-kabinet vermoedelijk wel zal overleven, profiteert hevig van het gesubsidieerd toneel. En ook film en tv doen dat.
Jongste voorbeeld: de nieuwe Jesus Christ Superstar in regie van Ivo van Hove. We weten hoe en waar Van Hove zijn artistieke vernuft heeft ontwikkeld, en dat betaalt zich terug – in een sterrenregen, óók in De Telegraaf en het AD , en een run op kaartjes. Een van de artistieke vondsten die veel geroemd wordt, publiek op toneel, is al jarenlang gangbaar in het gesubsidieerde circuit.
Je kunt niet voorsorteren op zo’n soort terugbetaling, want dan gok je louter nog veilig. Juist experiment kan tot dit soort succesvolle artistieke innovatie leiden (kán, hoeft niet.) En voor dat kwetsbare experiment zonder succesgarantie is subsidie nodig. Want ‘dat is niet per se wat het publiek interessant vindt.’
Wat het publiek wel interessant vindt: goeie acteurs. Spelers als Malou Gorter en Ramsey Nasr, nu door miljoenen Nederlanders omarmd in Oogappels, konden zo goed worden dankzij decennialang gesubsidieerd toneel, waar tijd is om te leren, te groeien, te verdiepen.
In de Faecaliëndrama’s viel in 1996 bij De Trust een jong talent op, over wie een NRC-criticus dit schreef: ‘De ontdekking van de faecaliëndrama’s is de mij tot dusver onbekende Jacob Derwig. [...] Hij moet gezien en gehoord worden.’
Dankzij obscuur toneel in achterafzaaltjes genieten nu miljoenen Nederlanders van baanbrekende musicals en topacteurs op tv. Is dat wederkerig genoeg?
Source: Volkskrant columns