Home

Wat moest dat heerlijk zijn, die overgave aan de slaap. Wanneer verlies je dat?

Op de achterbank van de taxi zat ze bij me op schoot. Het rook er naar Old Spice en Arbre Magique, de chauffeur handelde een telefoontje met de centrale af, buiten flitste het landschap aan ons voorbij, bomen, wolken, weg, bomen, wolken, weg. Toen ik haar ineens twee keer zo zwaar voelde worden, wist ik dat ze in slaap was gevallen.

Over de auteur
Eva Hoeke is journalist en voor Volkskrant Magazine chroniqueur van het moderne leven.

We waren op pad geweest, Frida en ik. Met z’n tweeën, de hele dag, zonder doel, zonder ontwerp, een dag als een slinger. Eerst waren we in bed blijven liggen en toen waren we gegaan, met de trein, de conducteur was de eerste met wie we een praatje maakten. Daarna hadden we gedag gezegd tegen de dieren en gekeken hoe een boom werd omgehakt, we waren de trein uitgelopen en waar we waren was veel meer dan waar we vandaan kwamen, mensen en trams en duiven en standbeelden in wit natuursteen, nee wacht, deze leeft! Er was een rilling door haar heen gegaan, voor een winkel stond een boog met ballonnen, er klonk applaus, gelach, van de frites vond ze alleen de mayonaise lekker, in de boom zat een duif, in de ondernemingen brandde licht, overal mensen, overal projecten, dichtgespijkerde panden en panden in handen van mensen die er miljoenen mee zouden verdienen, poes op de stoep, grijs in de lucht, een mopperende man op een fiets, we brachten vers brood mee naar huis, een roltrap, nog een roltrap maar de trein kwam niet, ik trakteerde op een taxi.

Een slapend kind is een weldaad.

Ik keek en bleef kijken, een oerscène, naar haar rode wangen, de gesloten ogen met de gemarmerde huid, witter dan wit, de haartjes bij haar slapen die door minuscule zweetdruppels tegen de stof van mijn jas aanplakten, de welving van haar roze mond, een beetje open, de handen met vetkussentjes, die manipulerende handjes, ze kon ze naar je uitstrekken en je ermee aaien maar voor hetzelfde geld sloeg ze je ermee, dirigeerde ze haar omgeving er alle kanten mee uit, de tentakels van hetzelfde lichaam dat nu zo vol tegen het mijne hing, alles zacht en zwaar, helemaal van was, van honing, van het allerdreumerigste dreumesmateriaal, en ik moest me bedwingen niet in haar te knijpen. Die overgave, zeiden we ’s avonds weleens tegen elkaar, wat moest dát heerlijk zijn, het gewieg van volwassen armen, het geroezemoes van de wereld, in het onbewuste, maar volle vertrouwen dat je op de veiligste plek op aarde bent. Wanneer verlies je dat? Waar worden slechte slapers geboren?

Ze zijn er, die het zo kunnen, ze gaan zitten en zijn weg, er vallen bommen op steden, het water stijgt en er zijn lijken en er is ruzie maar zij slapen, als dreumesen. Zelf herinnerde ik het me als iets van vroeger, mijn kindertijd, misschien nog een beetje puberteit, maar daarna was het een tijdlang woelen en draaien geblazen, ik herinnerde me afschuwelijke uren met zelftwijfel die maar niet voorbij wilden gaan, en hoewel mijn kinderen korte metten hadden gemaakt met de ergste tekorten had dat meer te maken met niet langer op je benen kunnen staan dan zalige, zoete overgave.

Onder me bewoog wat, haar ogen openden zich en sloten zich meteen weer. Ik schoof mijn hand onder haar jas en legde die op haar buik, die als een blaasbalg op en neer ging. De chauffeur knikte me via de achteruitkijkspiegel vriendelijk toe, ouders onder elkaar. Nog een paar minuten, nog een paar hobbels, nog even kleven – ook Frida zou ouder worden, puber worden, ze zou misschien zelf wel moeder worden, zeker zou ze wakker liggen – zoals ze er nu bij lag was het bijna niet voor te stellen.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next