Hallo, Spreidingswet. Met dank aan Eric van der Burg, die als Joop Zoetemelk in de laatste meters van het wereldkampioenschap wielrennen van 1985 bij zijn tegenstanders is weggereden: onverwacht, in de laatste rechte lijn, zonder uit het zadel te komen en volkomen verdiend.
Over Van der Burg is al veel gezegd, en hij zegt zelf ook vaak het nodige. Wanneer mensen hem omschrijven, valt het woord ‘aimabel’ nogal eens. Ook wordt zonder uitzondering zijn harde werken bijna benadrukt. Toch druppelen er nog altijd verse details over zijn olympische volharding naar de buitenwereld door. In een reportage van Remco Meijer, woensdag in deze krant, werd hij omschreven als een man die zijn bril ‘meestentijds in het haar’ draagt, die kopjes thee met suiker drinkt om de immer hese keel te smeren en verder: ‘een spreker bij wie de toehoorder zich niet snel verveelt. Hij is een geboren optimist, heeft humor, wisselt technische uitleg af met volkse uitroepen als ‘joep, doei en de mazzel’.’
(Ik had nog nooit van ‘joep, doei en de mazzel’ gehoord. Om te controleren of dat aan mijn gebrekkige kennis van het volkse lag, of aan iets anders, googelde ik de uitdrukking even. Ik trof de uitdrukking onder meer in een artikel over de geschiedenis van discotheek Starlight te Nijkerkerveen – in een citaat van Bert ‘DJ Bird’ Haverkamp – en in een biografietje van een van de leden van Offroadteam Flakkee, een motorcoureur met de naam Adriaan van Dis.)
Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Evenzogoed: wát een man, die Van der Burg. In een periode waarin de mensen op plekken waar asielzoekers arriveren het maar moeten uitzoeken, in een tijd waarin iedereen zich almaar verder terugtrekt op zijn eigen erf – soms zelfs letterlijk, zoals Pieter Hotse Smit en Iva Venneman woensdag beschreven in hun reportage vanuit het tegen een asielhotel gekante dorpje Albergen – voelt het als een zegen dat een bewindspersoon zijn taak tracht uit te voeren, met inachtneming van enige medemenselijkheid. Arnon Grunberg beschreef in zijn boek De vluchteling, de grenswacht en de rijke Jood Van der Burgs beperkte manoeuvreerruimte: ‘Ingeklemd tussen lidstaten van de EU die menen dat asielzoekers vooral het probleem zijn van andere lidstaten en een electoraat in Nederland dat gedeeltelijk denkt dat de paradijselijke toestand uit de jaren vijftig (…) zal terugkeren als de asielzoekers allemaal zijn verdwenen.’
Ergens tussen de idee-fixe dat een teruggang in de tijd vooruitgang zal opleveren, en het cynisme van mensen die zo gehecht zijn aan het probleem dat ze elke oplossing frustreren, bevond Van der Burg zich de laatste jaren, manoeuvrerend op de vierkante meter, in een ruimte waarvan de muren langzaam naar elkaar toe bewogen. Chronisch hees van de gure wind tegen die hem van binnen en buiten de eigen gelederen in het gezicht waait, heeft Van der Burg doorgezet. En het – nou ja: dit – is hem gelukt. Een eigen prijs, dat zou verdiend zijn. Een Philippe Petit-beker voor onvermoeibaar gekoorddans, een vetleren medaille voor onverwoestbaar optimisme, een Eric-penning, een Van der Burg-bokaal.
Of anders: een nieuwe, hoge bestuursfunctie, voor een probleemoplosser de luxe. Want de stapel problemen blijft onafzienbaar, en de stapel mogelijke oplossingen is altijd een stuk kleiner, maar hij ís er echt, en we zullen het ermee moeten doen.
Tussen die twee stapels zetten we een stoel.
Erop: een man of vrouw. Bril in het haar, kop thee in de hand.
De Joep Doei en De Mazzel-zetel.
Source: Volkskrant columns