Door de heuvels liep een man met een radiografisch bestuurbaar jeepje. Het was groter dan kinderspeelgoed – een cavia had er denk ik lekker in kunnen rijden. Het voertuig zag er sterk uit en reed dapper door plassen en modder. De man keek trots toe.
Een stukje achter de man liep een vrouw. Ze hoorde bij de man, dat zag je wel, maar ze hield net genoeg afstand zodat niet de indruk kon ontstaan dat zij hobbygewijs iets met het autootje te maken had. Ze keek er ook nadrukkelijk van weg. De man, op zijn beurt, keek niet naar de vrouw. En het autootje keek naar niemand. Het leek me een ingewikkelde driehoeksverhouding.
Een tijdje later kwamen we bij een parkeerplaats, waar we de man en de vrouw weg zagen rijden in een rode auto van menselijk formaat. Het jeepje stond waarschijnlijk op de achterbank, aandacht te trekken.
Source: Volkskrant columns