Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Grommend en vloekend zocht ik attributen bij elkaar. ‘Maar je ziet hier al een maand naar uit’, riep mijn vrouw vanuit de keuken. ‘Helemaal niet’, schreeuwde ik, terwijl ik een la opentrok waarin ik weer niets zou vinden, ‘ik zie hier al een maand tegenop.’ De scouting van onze dochters organiseerde een vossenjacht en ik had me opgegeven als vos. Het idee van een vossenjacht is dat groepjes kinderen in een vooraf bepaald gebied op zoek gaan naar vossen. Van iedere vos krijgen ze een aanwijzing, waarmee ze uiteindelijk een puzzel kunnen oplossen. De vossen in kwestie zijn mensen die verkleed zijn – niet als vos, maar als iets dat of iemand die in de omgeving opgaat. Deze vossenjacht werd in Bloemendaal georganiseerd, dus als ik me echt aan dat principe had willen houden had ik me moeten verkleden als plastisch chirurg, Porsche Cayenne of VVD-verkiezingsposter.
Uiteindelijk ging ik als straatmuzikant. Ik trok wollen, vingerloze handschoenen aan en een oude jas, pakte mijn gitaar, een hoed en een krukje en ging op de aan mij toegewezen plaats staan. Dat was midden in een villawijk, naast een papiercontainer met daarop een sticker met iets over de komst van een AZC. Het miezerde en er stond een koude wind. Na vijf minuten had ik geen gevoel meer in mijn vingertoppen. Ik warmde me met de gedachte aan mijn dochters en hoeveel zin ze hadden op zoek te gaan naar hun verklede vader. O, hun gezichten straks! Verspreid over twee uur zouden er elf groepjes voorbij komen, dus ik kon de eerste kinderen snel verwachten.
Na twintig minuten moest ik plassen. Ik vond een verdekt plekje achter de papiercontainer en plaste gehaast, bang dat er net een groepje scouts op zou duiken. Dat gebeurde niet – wel een oudere vrouw op een e-bike. Ik ging weer zitten, warmde mijn handen even in mijn broekzakken en speelde wat gitaar. ‘Wat zit je hier alleen’, zei een man van een jaar of 50 met dik en rijk grijs haar, die samen met zijn vrouw voorbij liep. Ik legde hem uit dat ik niet echt een straatmuzikant was, maar meedeed aan een vossenjacht en – tot nu toe vergeefs – wachtte op groepjes kinderen. ‘Misschien moet je wat harder spelen’, zei hij. Ja. Misschien moet je wat harder doorlopen.
Na een uur – de kou had het merg in mijn botten bereikt en mijn gitaar was niet het enige ontstemde – kwam eindelijk het eerste groepje. ‘Daar zit een rare meneer’, riep een meisje. De andere groepjes zouden spoedig komen, verzekerde een leider me. Maar op een enkel groepje na kwam er helemaal niemand meer. Na ruim twee uur werd ik teruggeroepen. Onderweg naar het clubhuis zag ik dan eindelijk mijn dochters lopen, tussen alle andere scouts. Toen ze de auto herkenden en mij zagen zitten, glimlachten ze beteuterd. Er zijn minder omslachtige manieren om je kinderen teleur te stellen.
Source: Volkskrant columns