Afgelopen dinsdag is de Elfstedentocht gereden. Niet in Friesland op natuurijs, maar op een schaatsbaan in Veendam. Geen elf steden, eigenlijk ook geen tocht. De naam van het evenement was de zoveelste weerspiegeling van onze onuitroeibare hoop dat het er misschien nog van komt, die echte, ooit.
De Elfstedentocht, betoogde schrijver Benjamin Moser vorige week in The New York Times, is voor Nederlanders ‘als een familielid wiens vliegtuigje een paar jaar geleden vermist is geraakt’. De naasten blijven tegen beter weten in hopen dat hij ooit terug zal komen, want ze hielden zo van ’m, en niemand wil de eerste zijn om de vermiste dood te verklaren.
Een mooi beeld, dat het verdringingsmechanisme ineens begrijpelijk maakt. Helaas maakt het de Elfstedentocht niet minder dood. Volgens Moser zouden we moeten rouwen om dat verlies, anders blijven we blind voor de oorzaken ervan. Maar ik vrees dat Nederland daar nog lang niet klaar voor is.
Source: Volkskrant columns