Home

Ik vind het opdringerig dat iemand mij verplicht zijn geur te ruiken door er zoveel van op te spuiten dat niemand eromheen kan

Moderne verschijnselen; we komen erin om. Maar we hoeven ons er toch niet altijd bij neer te leggen? Er zijn zaken waar we ons tegen ­kunnen – nee, móéten – verzetten. Deze week moet Katinka Polderman iets van het hart over overmatig parfumeren.

Overmatig parfumeren is waarschijnlijk iets van alle tijden, dus niet per se een van de moderne verschijnselen waarvoor deze rubriek in het leven is geroepen. Maar waar het tomeloos meuren ooit was voorbehouden aan een paar kleine groepjes (oude dametjes en puberende jongens bijvoorbeeld) en de rest van de bevolking zijn parfum beperkte tot eenmaal daags een subtiel en stijlvol pufje, lijken er nu veel meer mensen, uit allerlei bevolkingsgroepen, geen maat te kunnen houden.

Als ik ’s ochtends mijn kind naar school breng en door een kudde kleuters zigzag, stijgt daaruit een zware synthetische damp op waarvan ik vermoed dat die niet wordt veroorzaakt door een per ongelukke extra slok wasverzachter in de wasmachine, maar expres op die kinderen is gespoten voor het naar school gaan. En niet een subtiel pufje, nee, daar is een ouder/verzorger even flink tekeergegaan met de parfumsproeier.

Soms zelfs is er niemand op straat behalve ik en ruikt het tóch naar een geur uit een flesje: dan heeft daar net iemand gelopen die zich flink in zijn geurtje heeft gemarineerd. Regelmatig omringen passanten zich in zo’n dikke geurwolk dat ik hun luchtje gewoon kan próéven. Ik vind het opdringerig dat iemand mij verplicht zijn geur te ruiken door er zoveel van op te spuiten dat niemand eromheen kan. In de openbare ruimte houd je je een beetje gedeisd: je mening, je geluid, je lijf en je geur houd je bij je.

Nu en dan creëer ik theorettes, en ook over overdadig parfumgebruik heb ik zo’n theorette ontwikkeld. De theorette omvat parfumgebruik bij volwassenen – kinderen laat ik even buiten beschouwing. Ik denk dat het iets te maken heeft met overbevolking. We zijn met veel te veel mensen, en in die enorme mensenmassa willen we allemaal gezien worden, of in elk geval een plekje innemen. Mensen die iets kunnen, nemen dat plekje in door zich te laten zien met hun talent. Die schrijven een boek of leggen een fantastische tuin aan, ze geven uitmuntend leiding of zorgen buitengewoon liefdevol mantel.

Maar er zijn ook mensen die helemaal niets kunnen, geen talenten hebben en ook te lui of te stom zijn om ernaar op zoek te gaan. En die willen tóch hun stukje van de wereld innemen, want daar hebben ze ‘recht op’ (dat soort mensen zijn het). Die zoeken hun toevlucht in dingen waarvoor je helemaal niets hoeft te kunnen: lawaai maken en stinken.

Kortom: de mensen die we met z’n allen het makkelijkst kunnen missen, horen en ruiken we het hardst (ditzelfde principe zie je ook vaak terugkomen in verkiezingsuitslagen, maar dit terzijde).

Deze geuropdringers zijn vaak niet de mensen met een erg verfijnde smaak, anders zou u mij niet horen klagen: dan hing dankzij deze niksnutten in alle straten en pleinen, in elk supermarktgangpad en elke kroeg een verrukkelijk odeur van subtiel bloemige tonen met een zweempje mandarijn. Dan was de openbare ruimte één groot olfactorisch festijn. In plaats daarvan ruikt het in menig supermarkt alsof dat zeilschip van Old Spice op de klippen is gelopen in het gangpad en de volledige vracht het ruim uit is gekolkt tussen de blikken knakworst en ananasschijven.

Deze theorette gaat me ongetwijfeld een hoop geparfumeerde boze brieven opleveren, mits de stinkerds niet te lui zijn om er eentje te schrijven en naar de brievenbus te brengen. Maar ooit zal een socio- of bioloog mijn gelijk bewijzen. Tot die tijd hap ik korzelig naar adem.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next