In de grauwe ochtendschemering passeerde ik een kerstbomenkraam. Klanten zag ik niet, ook de verkoper was nog nergens te bekennen, maar er stond wel een apparaat klaar om de bomen mee in zo’n netje te hijsen: een zogeheten kerstboomtrechter. En tegen die trechter geleund stonden een stuk of vijf kerstbomen, in verschillende maten, onbeheerd. In mijn verdorven hart werd een bijna vergeten duiveltje wakker. ‘Je kunt zomaar zo’n boom jatten’, lispelde hij, zwiepend met zijn gevorkte staart. ‘Dóé dan...’
Ik sloot mijn ogen en dacht terug aan mijn 18-jarige zelf. Het waren de verdomde jaren tachtig, en ik was zo arm als de mieren. Dat was mijn eigen schuld, want ik wilde nergens voor deugen. Ik bracht mijn dagen door met lezen, een bezigheid die toen nog niet als heilzaam en nuttig gold, maar gewoon als lui.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Voor geld verdienen trok ik, geheel volgens de geldende normen van mijn coterie, mijn neus op. De Koude Oorlog kon immers elk moment ontaarden in een gloeiend hete, waarbij die zo zorgvuldig in de wapenwedloop opgespaarde bommen kwistig zouden ontploffen aan weerszijden van het IJzeren Gordijn, en dan waren we allemaal dood. Bovendien had ik gewoon geen zín in werken.
Maar een kerstboom wilde ik wel. En omdat kerstbomenhandelaars, net als alle andere middenstanders, geldbeluste trawanten waren van het meedogenloze grootkapitaal, mocht je zo’n kerstboom best stelen. Het was zelfs een daad van verzet. Zo jatten mijn vrienden en ik elk jaar een boom, die we in ons verloederde kraakpand versierden met de inhoud van een pak meel, bij wijze van kunstsneeuw.
Ik deed mijn ogen weer open. ‘Zeg. Ik hoef helemaal geen boom te jatten’, zei ik tegen het duiveltje. ‘Ik héb er thuis al een. Ik heb er netjes voor betaald van mijn eerlijk verdiende geld.’
‘Stomme burgertrut’, antwoordde het duiveltje. Hij draaide zich om, rolde zijn staart op en ging weer slapen.
Toen ik mijn weg wilde vervolgen, passeerde mij een man die iets opmerkelijks met zich meetrok. Het was een skateboard, aan een touwtje, met daarop zo’n mandje waarin katten vervoerd worden. En daarvóór, op de punt van het skateboard, stond een klein kerstboompje, met brandende lichtjes. Het geheel bood een even merkwaardige als feestelijke aanblik.
De man liep een zijstraat in, waardoor ik hem uit het oog verloor. Ontredderd bleef ik achter bij de kerstbomentrechter. Ik had die man nog zoveel willen vragen: wat was hij van plan met die brandende kerstboom op dat skateboard? Zat er echt een kat in dat mandje? En zo ja: wat vond díé ervan?
Source: Volkskrant columns