Home

Wat zou er gebeuren, polarisatietechnisch, als we degene voor ons in de rij over het achterhoofd strelen, vroeg ik me af

‘Ik heb erover nagedacht’, zei mijn geliefde, terwijl we een wandeling maakten door het gangensysteem van Schiphol, naar de uiterste vertakking waarvandaan ons vliegtuig zou vertrekken. ‘En volgens mij is kunst dus niet als zuurstof. Dat hoor je vaak, kunst is als zuurstof, maar volgens mij is kunst als water. Je hebt het nodig om te leven, maar je kunt er ook in verdrinken. Er is veel van maar het is ook schaars. Het is goed voor je, maar niet als het vervuild is. En het is een onmisbaar element van de mens. Dit is onze gate toch? 28?’

We lieten onze tassen op een leeg bankje zakken. ‘Ging jij nog koffie halen?’, zei mijn geliefde. ‘En misschien water?’

In de rij voor koffie keek ik naar opstijgende vliegtuigen die verdwenen in de mist.

Enkele dagen tevoren had ik de christen in mezelf opgegraven om een lekenpreek te houden in een kerk in Alphen aan den Rijn. Voor de kerkdienst begon, had ik met de ouderling van dienst over woonplaatsen gepraat. Ik had een tijdje in Haarlem gewoond, hij was opgegroeid in Badhoevedorp.

‘Aha’, zei ik. ‘Onder de vliegtuigen. Mijn oma woonde in Zwanenburg. Als je daar ’s zomers in de tuin zat, moest je om het kwartier stoppen met praten omdat er een vliegtuig overkwam.’

De man had nadenkend geknikt. ‘Ik herinner me vooral de kerosinegeur.’

In mijn preek had ik de kerkgangers voorgehouden dat ze de diepte in elk moment konden leren zien, bijvoorbeeld door heel goed te kijken naar het achterhoofd van degene voor ze in de kerkbanken. Nu, wachtend op de koffie, keek ik naar het achterhoofd van de man voor me in de rij. Zijn haar was opgeschoren, hele korte zachte haartjes had hij op zijn achterhoofd. In het midden was het opscheren niet helemaal recht gegaan, daar zat een kleine inham. Op zijn oren zaten ook haartjes, kort en donzig.

Wat zou er gebeuren, polarisatietechnisch, als we er een gewoonte van maakten om degene voor ons in de rij over het achterhoofd te strelen, vroeg ik me af. Vooral de kale mensen zouden daar emotioneel enorm van opknappen, dacht ik, en ik kon het weten, want ik was ooit een tijdje kaal geweest omdat ik benieuwd was of het dan extra lekker aan je hoofd zou voelen als iemand daar een hand op legde. Maar ook mét haar zou het wachten in de rij een aangename nieuwe dimensie krijgen met het nieuwe achterhoofdstreelbeleid. Alleen voor mensen die hoofdbedekking droegen moest een ander streeloppervlak gekozen worden. De wang. Met één vinger.

Wat zit ik toch vol goede ideeën, feliciteerde ik mezelf, want van het achterhoofdstrelen was het een kleine stap naar de streeltypmachine die ik jaren geleden al had uitgevonden, waarbij een letter pas op je beeldscherm zou verschijnen als je heel liefdevol over de met donshaar beklede toets streelde. Ik wist vrij zeker wat er polarisatietechnisch zou gebeuren als elke twitteraar en X’er gedwongen werd om strelend zijn berichten aan de wereld te schrijven. Wereldvrede was binnen handbereik.

De man voor me maakte plaats, ik was aan de beurt.

‘Ik zal ze extra vol voor je doen’, zei de meneer die de koffie klaarmaakte. Hij had een snor. Met zo’n snor zou je vast ook heel goed kunnen strelen.

Met in elke hand een beker, het flesje water onder mijn elleboog, liep ik terug naar mijn geliefde. Hij was niet kaal en had geen snor, maar wie wist wat de toekomst brengen zou. Hij pakte zijn koffie aan en knikte naar buiten. ‘Mist is trouwens ook gemaakt van water.’

Gerda Blees is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next