Home

‘Kun jij aan Fidel Castro vragen’, fluisterde ik, ‘of we wat extra brood mogen – maar zonder bijsluiter?’

Van de week bezocht ik verscheidene winkels waarin ze bankstellen verkopen. Inderdaad, zo erg is het met me gesteld. Gaat wel weer over. Wat me in die winkels opviel, was het chagrijn van de verkopers. Om te beginnen kijken ze als je binnenkomt niet op van hun computerscherm, maar staren blauwig en getergd voort, alsof ze met beginnende kiespijn proberen in te loggen op de website van een ziektekostenverzekeraar, om te checken of ze gedekt zijn voor een wortelkanaalbehandeling, wat niet lukt, omdat ze hun wachtwoord en inlognaam vergeten zijn. (Daar hoort een specifieke kop bij, die dus samenvalt met die van bankstellenverkopers in functie.)

Het uurtje dat je doorbrengt in hun showroom (laten we de pont over het IJ voortaan ‘loveboat’ noemen, waarom niet), zwijgen ze, behalve als je ze nadrukkelijk stoort met een ‘vraagje’, waarop het antwoord ‘nee’ luidt, of ‘weten ze in Italië’. (Daar zit het hoofdkantoor. Denk ik.)

Ach, het is ook onmogelijke nering. Bankstellen zijn veel te groot en lomp om er veel van te verkopen op één dag, de meeste ‘klanten’, als je ze zo kunt noemen, komen binnen, ploffen her en der een keer of vijf neer, schudden spijtig het hoofd, en rukken onverrichter zaken in. Zit je dan bij, dag in dag uit, een uurtje of acht, in die gemankeerde woonkamer. Iets uit te leggen valt er niet, iedere 5-jarige weet wat een bankstel is, iedereen heeft zijn eigen reet bij zich. Als ik bankstellenverkoper was, zou ik ’s avonds, na een zware werkdag, op mijn hurken naast mijn eigen bankstel gaan zitten, RTL 4 kijken, linkse politici uitschelden op Twitter.

‘X’, zegt mijn vriendin Jet.

Een bankstellenverkoper zou hier gewoon helemaal niet op reageren.

Hoe anders gaat het eraan toe in restaurants van een zekere prijsklasse. Ook daar was ik deze week te vinden, nadat ik klaar was in de bankstellenwinkels, die zich vanzelfsprekend in Amstelveen bevonden, en in Naarden.

‘Vriend, je lijkt V.S. Naipaul wel.’

‘Dank!’

‘Die deed ook altijd of hij op zijn reizen in zijn eentje bankstellen ging kopen, terwijl zijn vriendin met hem meeging.’

Een bankstellenverkoper zou hierop antwoorden: ‘Ja, en?’ Maar dan ken je mij nog niet, ik zei: ‘Ach kleine bonte vlinder van me, waar bleef ik zonder jou?’

(Thuis.)

In restaurants van een zekere prijsklasse vindt het tegenovergestelde plaats, daar raken ze niet uitgepraat over de nering. Iedereen die weleens in een dergelijk etablissement verzeild is geraakt, kent het geouwehoer dat losbarst boven iedere gang, of het nu de hoofdschotel is, of een amuse.

‘Kun jij aan Fidel Castro vragen’, fluisterde ik, ‘of we wat extra brood mogen – maar zonder bijsluiter?’

Die apparatsjik had slecht verstaanbaar en in ijltempo staan opscheppen over hoe warm de bakoven had gestaan, bij welke Amstelveense boer en boerin de handgedorste koren was gerijpt, en dat de goudbruine korst zo glansde omdat hij gelakt was met stremsel van een placenta.

‘Hoorde ik dat goed?’

‘Ssst. Niks vragen. We moeten nog naar Breda.’

Ik zie het al gebeuren hé, dat columnisten zo tekeergaan, na iedere alinea. ‘Zo... Voor u liggen drie zinnen die openen met een zoetzure metafoor, verpakt in een schromelijk overdrijvinkje, waarna u tussen haakjes een kleine naziparabel aantreft, besprenkeld met wat zelf opgezochte prietpraat uit de dagboeken van Joseph Goebbels... geniet ervan!’

Het is nooit goed, ik weet het.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next