Home

Door spoken uit het verleden moet je gewoon heen lopen

Wat het leven mooi maakt, is een bekende tegemoetlopen in wie je geen trek hebt, en dat het dan wederzijds blijkt. Je loopt elkaar wegkijkend voorbij, je afvragend of God misschien toch bestaat, heerlijk.

Ik had dat laatst. (Klassiek bruggetje. Al is het omgekeerde ook wel een fraaie techniek, een column beginnen over een lul/tang, terwijl de rest van de verhandeling over een bolhoed/varken gaat. Deed Karel van het Reve een keer, wil ik ook nog altijd eens doen. Had nu gekund, in plaats van ‘Ik had dat laatst’ had ik kunnen opschrijven: ‘Heb ik nou nooit’, punt. En dan met iets heel anders doorgaan, bijvoorbeeld een distopische toekomstcolumn, waarin Geert Mak in 2041, zes jaar na de Derde Wereldoorlog, bij Sophie zit met Wilders’ gewillige beulen, zijn nieuwe bestseller. Waar is Khalid gebleven?! Ja… Tja.)

Maar goed, ik had dat laatst juist wel. En flink ook. Ik liep zuur turend door Breda (als ik de pyramide van Maslow aan kant heb, schijn ik zo te kijken), tot er aan de einder een spook uit het verleden opdoemde. Het spook schrok ook, zag ik. Mogelijk was ik voor hem ook een spook, maar dan uit zíjn verleden, wat een gedeeld verleden was, want ooit, ín dat verleden, waren we zwagers.

‘Jij was toch niet getrouwd?’

Verbaasd kijken. ‘Jawel.’

Mijn vriendin Jet schudt haar hoofd. Nee Peter.

Vinger opsteken. ‘Ik ben nog niet gescheiden. Dat is wat anders.’

Anyway, hij heette Tinus, waar ik verder niks mee wil zeggen, zo heette hij gewoon, ik heb hem daar nooit op aangevallen. Toch moest-ie mij niet. Als ik op verjaardagen de schoonkamer inliep, zei hij dingen als: ‘Hee, daar hebben we ons boekenbaasje’ (ik werkte nog als lijkenaflegger bij L.J. Veen), wat later ‘ons aspirant- schrijvertje’ werd. ‘Als het niet lukt,’ zei Tinus een keer, ‘en je wil weer een baan waarmee je centjes verdient, mag je het eerlijk zeggen, hoor, dan zetten we je aan de band.’ (Met de band bedoelde hij de lopende band, hij had namelijk een fabriek, ik ben vergeten wat ze er maakten, ik denk opblaasbadjes.)

‘Echt?’

‘Heel echt. Maar het wordt nog echter.’

Op een dag waren we namelijk verhuisd. Toen alle gordijnen, jachtgeweren, pijpenrekken en elandenkoppen op hun plek hingen, kwamen het spook en z’n vrouw (mijn schoonzuster) ‘borrelen en eten’.

Én-én. Gezellig. Wij naar de Aldi.

Geen idee of ze het hebben geoefend, thuis, en afgesproken met elkaar, maar toen Tinus en mijn schoonzuster binnenkwamen, zeiden ze niets. Niks. Over het huis, bedoel ik. Nou ja, mijn schoonzuster murmelde wel andere dingen, over d’r rug, over parkeermeters. Maar het spook zweeg. En keek rond alsof het alleen was. Henk Kamp zou zo rond kunnen kijken, in een Gronings huis.

Ten slotte sprak het: ‘Laten we voor het eten naar het strand gaan.’

We borgen de kaasstengels weer op, jassen aan, naar Zandvoort. Tinus prees het uitzicht, hij hield van Nederlandse stranden. Na een uurtje wandelen, zei hij: ‘Ik heb honger. Er zit daar een leuke Griek. We moeten nog een stuk rijden, strakjes.’

Thuis stonden de boodschappentassen op het aanrecht. Edoch, wij zeiden dat niet. Wij beten liever simultaan onze tong af. Wij zeiden: ‘Ja, leuk. Laten we bij die leuke Griek gaan zitten. Jullie moeten inderdaad nog een stuk rijden, strakjes.’

Tijdens de gyros dacht ik aan mijn boek, of het erin zou passen. (Niet echt. Meer iets voor hier.)

Source: Volkskrant columns

Previous

Next