In de rolstoel die ik voortduw zit mevrouw Martinelli (91) Italiaanse woorden op te dreunen. Ze wil me Italiaans leren. Ik luister opzettelijk niet. Hoe een taal grammaticaal in elkaar steekt, vind ik leuk om te leren, maar voor nieuwe woorden is mijn opslagcapaciteit te beperkt. Ik heb de indruk dat er geen woorden meer bij kunnen. Voor elk woord dat ik leer, verlies ik een ander woord, dus als mevrouw Martinelli me Italiaans leert, spreek ik straks geen Nederlands meer.
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Frans Timmermans spreekt zes talen en dat is niet waarom ik op hem heb gestemd, maar ik vind het wel erg bewonderenswaardig. Toch gelooft mevrouw Martinelli niet dat hij meer woorden heeft opgeslagen dan ik.
‘Jij kent gewoon veel meer Nederlandse woorden dan Frans Timmermans.’
Ondanks mijn bezwaren gaat ze gewoon door met scanderen in het Italiaans. Ze vindt dat ik in elk geval koffie moet kunnen bestellen en moet kunnen vragen waar de wc is. ‘Ooit komt dat van pas en dan zul je aan me denken. Dan denk je: ik heb toch niet voor niets met dat ouwe mens rondgereden.’
In elke relatie is wederkerigheid belangrijk, ook in een zorgrelatie. Samen met mijn collega stond ik aan het bed van meneer Van der Werf (69). Hij heeft een nefrostomiekatheter: een slangetje dat in zijn nier is aangebracht om urine af te voeren. Mijn collega legde me uit hoe je de opening op zijn rug, waar het slangetje naar buiten komt, moet verzorgen.
‘Thomas moet dit leren voor zijn opleiding’, zei ze tegen meneer Van der Werf.
Meneer Van der Werf is vaak somber. Hij noemt zichzelf lastig en voelt zich bezwaard, omdat hij door zijn gezondheidsproblemen overal hulp bij nodig heeft. Maar nu was hij enorm in zijn nopjes.
‘Het komt jou wel goed uit dat ik hier lig, hè?’, vroeg hij aan mij. Zijn ogen glinsterden. ‘Als hier geen patiënten kwamen zoals ik, dan leerde jij dit nóóit.’
En dat is ook waarom mevrouw Martinelli me Italiaans wil leren: ze voelt zich bezwaard en wil iets terugdoen. Maar ik denk dat ik de oplossing weet. De vorige keer dat ik met mevrouw Martinelli wandelde en ze voor de honderdste keer vroeg of ik daar wel tijd voor had (‘Heb je hier wel tijd voor? Heb je hier écht wel tijd voor? En heb je hier wel zin in? Heb je hier écht wel zin in?), moest ik denken aan een cliënt die ik in de thuiszorg had.
Mevrouw Dijkman (81) kon de zorg amper verdragen, zo bezwaard voelde ze zich. Ze was altijd gehaast, omdat ze dacht dat wij dat waren, en vond de zorg heel vervelend, omdat ze dacht dat wij dat vonden. Mijn collega’s en ik probeerden van alles om dat te veranderen. Niets hielp.
Toch mocht mijn collega Jenny elke zondag bij mevrouw Dijkman komen, ook als ze niet hoefde te werken, om haar in bad te helpen.
‘Hoe had je dat voor elkaar gekregen?’, vroeg ik.
Jenny vertelde dat mevrouw Dijkman op een ochtend in de badkamer had gezegd: ‘Moet je dat bad zien. Zo’n mooi bad, en ik kan er niet eens in.’
‘Zal ik u elke week een keertje in bad helpen?’
Mevrouw Dijkman was in lachen uitgebarsten. Wat een bespottelijk idee.
‘Toen heb ik haar verteld over mijn moeder.’ Jenny heeft haar moeder tot haar dood verzorgd en mist dat soms. ‘Ik zei dat ik het daarom graag wilde doen.’
Ik hurk neer bij de rolstoel van mevrouw Martinelli, zet mijn allervriendelijkste blik op en zeg: ‘Ik heb geen oma meer. Soms mis ik mijn oma, daarom wandel ik graag met u.’
Mevrouw Martinelli kijkt me aan met haar ogen die zo donkerbruin zijn dat je de pupil bijna niet kunt zien. ‘Per favore’, zegt ze. ‘Prendi in giro qualcun altro.’
Dat betekent: maak dat de kat wijs.
Source: Volkskrant columns