Of ik ook een school wilde bezoeken, had een vertegenwoordiger van de boekenbeurs in Guadalajara aan mij gevraagd. Guadalajara, Mexico. Anderhalf miljoen inwoners, nog circa vier miljoen mensen eromheen. Urbanisatie is ook armoedebestrijding.
Ik wil overal wel heen, mits men het vriendelijk vraagt. Als een hond volg ik het bot.
Wat ik niet had verwacht was dat de school zich op drie uur rijden van de stad bevond.
Het vriendelijke echtpaar dat mij in een jeep –gordels ontbraken– naar het stadje Tolimán bracht (vijfduizend inwoners) had genoeg aan mijn twaalf woorden Spaans.
Tolimán, ach Tolimán. Hier was men eindelijk in de periferie aanbeland. Een vertaler –een in Amerika geboren Mexicaanse– was voor de gelegenheid uitgerukt, alsmede de hele school.
Navraag leerde dat ik de eerste schrijver was die deze school ooit had aangedaan. Al bleek er in de regio wel één schrijver te hebben geleefd, Juan Rulfo, ooit geprezen door Gabriel García Márquez.
De kinderen wilden veel van mij over Juan Rulfo weten. Een lerares redde het geheel door te zeggen: ‘Goedemiddag, ik ben Doña Sofia. Mijn familie heeft een klein bedrijf en dat is de trots van Tolimán, wij maken snoepjes genaamd Dulces y Tamalitos de Tamarindo. Vroeger verpakten wij ze in maïsbladeren, tegenwoordig helaas in plastic. De snoepjes worden gemaakt van een boom die hier groeit, de tamarinde. Namens de school willen wij jou de Dulces y Tamalitos de Tamarindo overhandigen. Ook willen wij jou twee flessen mezcal overhandigen, wij hier in Tolimán maken namelijk de beste mezcal van Mexico. Drink niet alles in een keer op maar wacht er ook niet te lang mee, en kom nog eens terug naar Tolimán.’
Ik nam alles in ontvangst en beloofde spoedig terug te keren.
Wat ik misschien ook zou doen. De mezcal, Doña Sofia, de tamarinde, het betere versterven.
Source: Volkskrant columns