Op Tweakers verschijnen elke dag tientallen nieuwsberichten, maar tijdens het schrijven weten we zelden hoe het afloopt met de producten, technieken en ontwikkelingen waar we het over hebben. In deze rubriek lezen we die oude berichten terug en kijken we hoe het verderging.
Bij deze achttiende editie van Terug in de tijd kijken we naar nieuwsartikelen uit maart 2003, 2008 en 2013. We volgen het begin van het einde van de miniSD-kaart en Intels Centrino-platform, hebben een déjà vu met de Belastingdienst, en zoomen in op de inkomsten van WhatsApp en een flinke uitgave van Microsoft.
Wie als apparaatmaker uitbreidbare opslag in de vorm van SD-kaarten wil toevoegen aan zijn of haar apparaat, heeft daarbij nu de keuze uit twee formaten: SD en microSD. Een paar jaar lang konden apparaatmakers echter kiezen uit een derde formaat, dat twintig jaar geleden voor het eerst het levenslicht zag. In maart 2003 kondigde SanDisk als eerste fabrikant miniSD-flashgeheugen aan.
Dit geheugen was ontwikkeld als kleinere variant van de reguliere SD-kaart, die toen al een paar jaar in apparaten te vinden was. De miniSD-kaart was wat oppervlakte betreft veertig procent kleiner en bedoeld voor mobieltjes die als MP3-speler of fotocamera konden fungeren. De eerste 16MB-kaartjes waren in april te koop, later kwamen kleinere 16MB- en grotere 256MB-kaarten beschikbaar.
Het SD-kaart-alternatief mat 20,0x21,5mm, waar de reguliere SD-kaart 32,0x24x0mm groot was. Kort na de introductie van de miniSD werkte de SD Card Association al aan een nóg kleiner SD-kaartje. Deze vereniging noemde het echter eerst geen SD-kaart, maar TransFlash. In 2005 maakte SDA bekend dat TransFlash als microSD door het leven zou gaan.
Deze microSD-kaartjes waren met 11x15mm nog een slagje kleiner dan de miniSD-kaartjes, wat uiteindelijk ook de doodsteek voor die laatstgenoemde bleek te zijn. Na introductie van de microSD-kaart bleek er te weinig interesse te zijn voor de middelste variant, zowel onder apparaatmakers als onder kaartjesmakers. Daarom stopte de productie van de miniSD-kaart rond 2008 en bleven alleen de SD- en microSD-kaarten over.
Een ander platform dat twintig jaar geleden het levenslicht zag en nu nog nauwelijks wordt gebruikt, is Centrino. Intel kondigde dit platform in maart 2003 aan. Het was volgens de chipmaker zijn eerste cpu die vanaf het begin af aan ontworpen was voor gebruik op de mobiele markt en voor een laag energiegebruik. De cpu van het platform kreeg de codenaam Banias mee, in de consumentenmarkt heette deze Pentium M.
Deze singlecore-cpu's werden gebakken op 130nm en werden uitgebracht in frequenties van 900MHz tot 1,7GHz. Naast een lagere kloksnelheid, gebruikten de Banias-cpu's minder L2-cache en uitschakelbare bussen om het energiegebruik terug te dringen. Centrino was echter meer dan alleen een cpu-merk; Intels idee was dat je als laptopmaker het Centrino-label alleen mocht gebruiken als je alle Centrino-onderdelen in de laptop had zitten. Naast de Banias-cpu ging het om de i855PM- of i855GM-chipsets en Intels Pro/Wireless Lan-netwerkcontroller.
Daarmee was Intels Centrino vergelijkbaar met wat we nu Ultrabooks noemen: een merknaam voor een bepaald soort laptop, in het voorbeeld van Centrino een laptop die door een lager gewicht en een langere accuduur mobieler is. In maart en de maanden daarna kondigden verschillende fabrikanten, zoals Acer, Gigabyte en Dell, aan Centrino-laptops te maken. Het Centrino-concept bleek vrij snel een succes te zijn. Zo becijferden analisten dat het platform in 2003 een notebookmarktaandeel van 42 procent had. Het grote succes leidde zelfs tot een recordkwartaal in 2004.
Vijf jaar na introductie kwam Centrino 2, de vijfde generatie van het platform. Dit leverde een verbeterde accuduur en ook betere prestaties op. Toch kwam het einde van het platform snel in zicht. In 2010 maakte het bedrijf bekend te stoppen met de Centrino-naam als laptopplatform ten faveure van Ultrabooks en werd de merknaam gebruikt als productlijn voor Intels draadloze-netwerkkaarten. In 2013 staakte Intel helemaal met de Centrino-naam, waarmee die naam het wel langer heeft volgehouden dan de eerder genoemde miniSD-kaarten.
Een concept dat wel tot op de dag van vandaag blijft bestaan, is Xbox Live. Fervente Terug in de tijd-lezers hebben Microsofts onlinedienst vaker voorbij zien komen, maar twintig jaar geleden was er toch een mijlpaal die we kort moeten benoemen. Xbox Live ging in 2003 namelijk… nou ja, live, in Nederland. Met het abonnement konden eigenaren van de originele Xbox online gamen tegen anderen, wat met concurrent PlayStation 2 niet ging. Aanvankelijk waren er 'maar' vijftien games online te spelen, maar in de loop der jaren is dat aantal alleen maar gegroeid. Tegenwoordig is het lastig om zelfs een game te vinden die niet iets met Xbox Live doet en heeft Sony het concept sinds de PlayStation 4 ook overgenomen en verplicht gesteld voor online gaming.
In het kader van 'dat heb ik weleens eerder gelezen', gaan we naar de Belastingdienst. Vijftien jaar geleden vroeg de Belastingdienst het toenmalige kabinet 'terughoudend' te zijn met nieuw beleid dat de fiscus zou moeten uitvoeren. Het ging destijds om 'ingewikkelde plannen' rondom de kilometerheffing, de AOW-heffing voor vermogende 65-plussers en een bonus voor ouderen die blijven werken. Door gebrekkige IT-infrastructuur zou de Belastingdienst dergelijke ingewikkelde politieke wensen niet kunnen uitvoeren. Pas na vijf of tien jaar zou dit weer mogelijk moeten zijn, al weten we inmiddels beter.
Later dat jaar, in juli, kreeg de Belastingdienst een chief information officer, die samen met een nieuw 'ICT-regie en architectuur'-team nieuwe IT-problemen bij de Belastingdienst moest voorkomen. Toch konden dergelijke maatregelen nieuwe problemen niet verhelpen of zelfs oude oplossen. In 2015 zei de Rekenkamer na onderzoek zich zorgen te maken voor 'ernstige verstoring van de massale processen' van de Belastingdienst. Een groot aantal systemen is sterk verouderd, terwijl ze essentieel zijn voor het innen van belastingen, aldus de Belastingdienst toen. De oudste applicatie was op dat moment 37 jaar oud. Ook toen werd gewaarschuwd voor toekomstige wetswijzigingen die het werk van de Belastingdienst konden verstoren. Precies datgene waarvoor zeven jaar eerder ook al werd gewaarschuwd dus.
Twee jaar na het onderzoek van de Rekenkamer kwam de Belastingdienst tot dezelfde conclusie na een eigen onderzoek. Uit dat nieuwere onderzoek bleek de dienst met zo'n zeshonderd verschillende IT-systemen te werken en meldde de overheidsdienst dat kennis over veel verouderde systemen 'in hoog tempo' schaarser werd, omdat mensen met pensioen gingen of ontslag namen. De Belastingdienst zei destijds nog steeds te werken aan vernieuwing van de systemen, waardoor in 2020 'alle seinen op groen' zouden staan.
Inmiddels is het 2023, drie jaar na het jaartal dat de Belastingdienst noemde en vijf jaar na de 'tot tien jaar' die de overheidsdienst in 2008 noemde. Toch zijn de problemen nog steeds niet voorbij; nu heeft de Belastingdienst het over 2026. De techdebt is wel verminderd van 52 procent in 2018 naar 26 procent in 2022, maar de IT-problemen blijven er de oorzaak van dat belastingplannen van het kabinet niet of pas later uitgevoerd kunnen worden.
Het volgende Terug in de tijd-onderwerp had een minder lang staartje dan dat van de Belastingdienst. In 2008 was er een strijd gaande rond Take-Two, een strijd die in maart 2008 flink escaleerde. De game-uitgever, bekend van onder meer de GTA-games, had een maand eerder een overnamebod van Electronic Arts afgeslagen. Grote concurrent EA wilde 1,9 miljard dollar op tafel leggen, maar dit vond Take-Two te laag.
In maart veranderde dat vrijblijvende bod in een vijandig bod. EA wilde de uitgever via de aandeelhouders overnemen door een rechtstreeks bod te doen op de aandelen. Het bod bleef met 26 dollar per aandeel ongewijzigd. De overnamepoging had een deadline in mei 2008, die zonder succes voor EA verstreek. Waarschijnlijk had dat te maken met Grand Theft Auto IV, dat in april dat jaar verscheen. Door het succes van die game steeg de koerswaarde van T2 naar 27,10 dollar, waardoor het bod van EA daaronder kwam te liggen.
Na het verstrijken van meer deadlines en aankondigingen van uitstel, besloot EA in september de overnamepoging alsnog te staken. In de jaren daarna is Take-Two vaker onderwerp geweest van mogelijke overnames. Zo ging er in 2011 een gerucht over een mogelijke overname van Activision. Tot op de dag van vandaag blijft de game-uitgever echter onafhankelijk.
Een overname die vijftien jaar geleden wél groen licht kreeg, was Googles aankoop van DoubleClick. De Europese Commissie was een van de laatste hobbels die Google nog moest nemen voordat het de overname definitief kon afronden, maar in maart 2008 besloot Brussel dat de overname geen negatieve invloed op de concurrentie zou hebben. Zo waren Google en DoubleClick geen directe concurrenten van elkaar en zijn er genoeg andere concurrenten op de advertentiemarkt, aldus de EC.
Google kondigde in april 2007 aan DoubleClick te willen overnemen voor 3,1 miljard euro, waarmee het bedrijf zijn positie op de advertentiemarkt wilde versterken. DoubleClick bood een handelssysteem aan waarmee adverteerders kunnen bieden op advertentieplaatsen, een manier waarop Google nu nog steeds advertentieruimte verkoopt.
De overname was van het begin af aan niet zonder controverse en bedrijven zijn nog steeds ontevreden over de daardoor ontstane situatie. Begin 2022 klaagde de European Publishers Council bijvoorbeeld over Googles 'concurrentiebeperkende gedrag' op de onlineadvertentiemarkt, die na Googles overname van DoubleClick volgens deze uitgevers een stuk Source: Tweakers.net